Christendom en Heidendom.
Reading edition
De periode, die ons voornamelijk zal bezighouden in de twee volgende hoofdstukken strekt zich uit van de officieele erkenning van het Christendom door Constantijn—de zoogenaamde Kerkvrede—tot de vernietiging van het heidendom in het Keizerrijk, die wij ongeveer op het einde van de regeering van Theodosius I (395) of het begin van de vijfde eeuw kunnen stellen; want dan is het paganisme verdwenen, ofschoon er zelfs te Rome nog overblijfselen worden gevonden in de dagen van Alarik en St. Augustinus en op meer afgelegen plaatsen nog veel later, zooals te Cassino, waar St. Benedictus ongeveer 529 een tempel liet omverhalen, waarin het “bedrogen en slechtgezinde” landvolk (zooals Dante hen noemt) nog offerde aan den zonnegod Apollo of zulk een “daemon”. Een doorloopend verslag van de historische feiten van deze periode, van Constantinus tot Honorius, is al gegeven in het Overzicht, zoodat het niet meer noodig is de gevolgen daarvan te verklaren, wanneer wij trachten in het kort den merkwaardigen en snellen groei van het Christendom tot zijn volledige overwinning op het Heidendom te beschrijven.

5. S. Maria Maggiore, Rome.
Onder Nero (54), Domitianus (81), Decius (250) en andere Keizers, zelfs onder Trajanus en Marcus Aurelius hadden de Christenen door vele en afschuwelijke vervolgingen geleden. In 303, onder Diocletianus, had de hevigste plaats gehad, door toedoen van den “Caesar” Galerius—vooral in het Oosten, waar deze Galerius het bestuur had; maar zelfs in Gallië en Brittannië waren afgrijselijke dingen gebeurd, want zelfs de zachtzinnige Constantius Chlorus, de vader van Constantijn den Groote was, ofschoon hij deed wat kon om het lijden van de vervolgden te verzachten, gedwongen het hardvochtige Keizerlijke edict af te kondigen en uit te voeren.
Wat Diocletianus betreft, hij schijnt meer zwak dan wreed te zijn geweest. Blijkbaar heeft hij met grooten onwil aan den drang van Galerius toegegeven. Zijn neigingen waren gericht op een philosophisch en eenvoudig leven, als wij mogen oordeelen naar het feit, dat, toen hij op het hoogtepunt van zijn macht (zooals Karel V) vrijwillig afstand deed van de regeering en zich terugtrok op zijn villa bij Salona in Dalmatië, zijn eenige eerzucht schijnt geweest te zijn groenten te kweeken, die een eersten prijs verdienden. Toen hij door den heerschzuchtigen Maximianus werd aangezet om het Keizerlijk purper en den diadeem weer aan te nemen, antwoordde hij, naar men vertelt: “Gij zoudt niet zoo spreken, als gij mijn prachtige boonen en koolen hadt gezien”. En toch is dit de man, wiens naam—zooals die van Nero of Philips van Spanje—in ons gewoonlijk niets anders dan een gevoel van afgrijzen verwekt.
De geschiedenis van Constantijn’s verhouding tot het Christendom, zooals die verteld wordt door zijn tijdgenoot, den Bisschop Eusebius van Caesarea, den vader van de Kerkgeschiedenis, en zooals die weer verhaald wordt door latere schrijvers, is zulk een weefsel van legende en waarheid, dat het moeilijk is de feiten van verzinsels te scheiden.
Eerst een korte mededeeling over zijn moeder, Helena, St. Helena Van Engeland, zooals zij dikwijls wordt genoemd. Zij deelt met St. Albanus, volgens sommige schrijvers, de eer een van de inlandsche Heiligen der vroeg-Engelsche Kerk te zijn, vóór de komst van heidensche “Engelschen” en ongeveer drie eeuwen voor de komst van den jongeren St. Augustinus. Sommige verzekeren ook dat zij haar doorluchtigen zoon bekeerde en dat derhalve de roem van de vestiging van het Christendom in het Keizerrijk oorspronkelijk een Engelsche vrouw toekomt. Maar Eusebius, onze voornaamste berichtgever, vertelt ons, dat zij zelf later bekeerd werd door Constantijn. Haar afkomst is ook onzeker. Sommigen zeggen dat zij in Bithynië (in Klein-Azië) was geboren, anderen, dat zij de dochter was van den legendarischen Koning Coel (“de oude Koning Cole” van de balladen?) en geboren was in zijn stad, Colchester; men heeft ook vermoed, dat Constantius, toen hij in het leger van Maximianus diende in de jaren, die aan de dramatische overweldiging van Brittannië door Carausius voorafgaan, Helena te Colchester of te York (want ook die stad wordt als haar geboorteplaats genoemd) ontmoet heeft. Maar als dit zoo was, zou Helena c. 272 haar gemaal naar het Oostelijke Rijk gevolgd zijn; het schijnt toch wel vast te staan dat Constantijn in dit jaar te Naissus, in Moesië—en niet in Brittannië geboren is.
Wij kunnen dergelijke daden misschien toeschrijven aan politieke beweegredenen, of verdraagzaamheid, of een merkwaardige vereeniging van ijver voor de uiterlijke vormen van paganisme en Christendom, maar het is moeilijk te gelooven, dat Constantijn gedreven werd door een meer edele leerstelling van beide eerediensten. Wij kunnen slechts afschuw gevoelen voor een man, die te midden van al zijn godsdienstig vertoon, na zijn politieke mededinger en diens familie gedood te hebben, de terechtstelling van zijn eigen zoon en vrouw bewerkte (zie p. 4) en dat nog wel op blijkbaar ongegronde beschuldigingen.
In het jaar 325, dat tusschen deze beide bloedige daden van Constantijn ligt, leidde hij het groote Concilie te Nicaea in Bithynie, om de actueele kwesties te beslechten, die gerezen waren tusschen de volgelingen van Arius, een priester van Alexandrië, en hen, die met Athanasius aan het hoofd, den lateren bisschop van Alexandrië, onder den naam van Katholieken er aanspraak op maakten de eenige, algemeene Christelijke Kerk te vertegenwoordigen.
Constantijn nam het besluit van Nicaea—de veroordeeling van het Arianisme—aan en onderteekende het. Maar deze ketterij had toch gedurende vele jaren in Constantinopel en het grootste gedeelte van het Oostelijk Rijk de overhand, daar zij zelfs door de Synode van Jeruzalem werd aangenomen, en ook door de Goten en Vandalen in het Westen en in Afrika; en, zooals wij reeds gezien hebben, Constantijn zelf bleef maar een tijdelijk aanhanger van het Katholicisme en werd ten slotte door een Ariaansch bisschop gedoopt.
De priester van Alexandrië, wiens leer in den tijd van ongeveer zes jaar (319–325) in zulk een wijden kring was aangenomen door geesten, die de leer van de Drie in Eén niet konden bevatten—dezelfde geesten, die later bij den beeldenstorm de subtiele onderscheiding niet konden begrijpen tusschen vereering van beelden en afgodendienst—werd tengevolge van het Niceensche besluit geëxcommuniceerd en verbannen, tegelijk met vele Ariaansche prelaten; en alle Ariaansche geschriften werden veroordeeld om door het vuur te worden vernietigd.
Maar, gelijk wij hebben gezien, zoowel Arius als zijn volgelingen, zooals Bisschop Eusebius van Nicomedia, werden weldra teruggeroepen en in de laatste jaren van Constantijn schijnt hij aan het keizerlijk hof bijzondere gunst genoten te hebben. In 336, het laatste jaar van Constantijn’s regeering, zou Arius toegelaten worden tot het avondmaal in de Kathedraal van Constantinopel, maar op den voor die plechtigheid vastgestelden dag stierf hij plotseling, een voorval, dat zijn tegenstanders herinnerde aan het lot van Judas, maar misschien door vergift was veroorzaakt.

6. Kansel, S. Ambrogio, Milaan. Met de zgn. Graftombe van Stilicho.
Doch eerst een paar woorden over een vorm van paganisme, die misschien een gevaarlijker, en zeker een sluwer vijand bleek te zijn dan het grove bijgeloof van de menigte of de meesleepende pracht van het heidensch ritueel.
Er is al vroeger verteld (p. 5), hoe Julianus op den troon kwam. Daar zijn korte regeering van ongeveer achttien maanden belangrijk is door zijn poging om het Heidendom te herstellen, zullen wij die in het kort bespreken, terwijl wij de veel langer regeering van den zwakken, onbetrouwbaren en onmenschelijken Constantius overslaan, daar deze slechts weinig invloed had op den gang der gebeurtenissen, behalve voor zooverre hij zijn vader’s voorbeeld volgt in kerkelijke aangelegenheden en zich voor het Arianisme verklaart, Athanasius te Alexandrië vervolgt, en een anderen paus te Rome kiest, waardoor hij den eerste van die Romeinsche opstanden verwekt, die later zoo herhaaldelijk voorkomen.
Plotseling, als een donderslag bij helderen hemel, komt een order van Constantius (die door zijn hofbeambten—meest eunuchen—werd getiranniseerd) dat het meerendeel van de Gallische legioenen dadelijk naar Perzië moet marcheeren! De troepen belegeren terstond hun generaal in zijn palatium onder luid geschreeuw van “Julianus Augustus”, heffen hem op een schild en roepen hem tot keizer uit. Hij protesteert; maar het noodlottige woord is uitgesproken en de soldaten houden vol. Derhalve zendt hij een bericht naar Constantius, die nu te Antiochia is en vraagt nederig om bekrachtiging van den titel. Maar Constantius, woedend, eischt onderwerping. Daarop vaardigt Julianus de beroemde proclamatie uit, waarbij hij zijn lot aan de “onsterfelijke goden” toevertrouwt, terwijl hij aldus den band met den Keizer en het Christendom breekt, verzamelt een groot leger te Basel, zendt troepen langs verschillende wegen naar Italië, rukt ondertusschen zelf met 3000 man dwars door het Marciaansche (Zwarte) Woud, bereikt den Donau, komt in elf dagen, op een flottille, die hij had bemachtigd, te Sirmium en dringt Illyrië binnen.
De hysterische angst, verwekt door het geloof aan hekserij, had ook op den zwakzinnigen Valens een dergelijke uitwerking. Van de verst verwijderde deelen van Azië werden jong en oud gesleept voor den rechterstoel van Antiochia, waar de keizer gewoon was te resideeren. Zoo talrijk waren de gevangenen, dat de keizerlijke troepen nauwelijks voldoende waren om hen te bewaken en in afgelegen provinciën de vluchtelingen de bevolking in getal overtroffen.
Maar Valens bepaalde zich niet tot zulke wreedheden. Drie jaar na zijn troonbestijging was hij gedoopt door den Ariaanschen Patriarch van Constantinopel. De keizerlijke neophiet ontwikkelde zich weldra tot een blinden ijveraar en een wreeden vervolger van “Athanasische ketters” zooals hij hen noemde en het Oostelijke Rijk was weldra in gisting en oproer. Dit duurde zoo lang, totdat Aartsbisschop Basilius te Caesarea—eens de mede-student van Julianus te Athene, later beroemd als kluizenaar en stichter van de eenige monniken-orde van de Oostersche Kerk—den keizer trotseerde, zooals later St. Ambrosius te Milaan Theodosius trotseerde en met hetzelfde gunstige gevolg; want, naar men vertelt, geraakte Valens zoo onder den indruk, dat hij bezwijmde in tegenwoordigheid van allen, toen hij van het altaar werd teruggestooten, en dat hij boete deed voor zijn wreedheden door Basilius een groot landgoed te schenken om daar een hospitaal te stichten. Valens verdween, zooals reeds verhaald is, in den grooten slag bij Hadrianopolis in 378.
Toen Valens verdwenen was, koos Gratianus tot Augustus van het Oostelijk Rijk een dapperen soldaat van Spaansche afkomst, Theodosius, die in het keizerlijk leger in Brittannië had gediend en Hertog van Moesia was geworden. De vader van Theodosius was, na schitterende veldtochten in Brittannië en Afrika, te Carthago terechtgesteld, blijkbaar krachtens een beuzelachtige beschuldiging van verraad. Wegens de ongenade en den dood van den ouden Theodosius had de zoon zich teruggetrokken op zijn landgoed in Spanje, om zich, zooals Xenophon of Cincinnatus, te wijden aan de verbetering van zijn landerijen. Vandaar werd hij na vier maanden geroepen om de plaats in te nemen, die door Valens’ dood open was gevallen.
Gedurende zeventien jaar (378–395) was Theodosius eigenlijk de heerscher, niet alleen in het Oosten, maar als beschermer van den jongen Valentinianus en zijn moeder en als overwinnaar van Maximus en Arbogast, ook in Italië en het verre Westen, ofschoon hij slechts in het laatste jaar van zijn regeering onbetwist alleenheerscher was. (Zie Historisch Overzicht p. 8).

7. Mausoleum van Galla Placidia, Ravenna.
In deze zeventien jaar (het onderwerp van het volgende hoofdstuk) stierf het heidendom snel uit en ofschoon wij later nog eenige merkwaardige overblijfselen ontmoeten, mogen wij toch aannemen dat op het einde van Theodosius’ regeering of het einde van de 4e eeuw, de oude godsdienst in het Keizerrijk verdwenen was en de Trinitariaansche of Athanasische Kerk—vooral de zoogenaamde Katholieke Kerk in Italië—een waardige en invloedrijke positie tegenover de burgerlijke macht had verworven.