Note 23 — 800–1190.
Reading edition
Voordat het verhaal wordt voortgezet, moet er iets gezegd worden over de persoonlijkheid van den jongen Saksischen vorst, die negentien jaar regeerde en twee en twintig jaar oud werd. “De Germanen”, zegt een schrijver over deze periode van de Italiaansche geschiedenis, “waren groote, blonde menschen, bierdrinkers, geweldige eters, ruw, ongemanierd, aanmatigend, phlegmatiek en roekeloos”. Men is misschien maar al te zeer geneigd om deze beschrijving toe te passen op de Saksische Otto’s. Wellicht is dit vrij juist ten opzichte van Otto den Groote, die, naar men zegt, zeer onontwikkeld was, ofschoon hij, evenals Karel de Groote, een ijverige beschermer was van de wetenschappen23 en een vriend van geleerden, zooals de polyglotte Liudprand. Maar zeker is het niet juist deze beschrijving toe te passen op Otto II, die dweepte met de beschaving van het zuiden, donker van uiterlijk en klein van gestalte was, zooals gebleken is, toen zijn gebeente uit de sarcophaag werd genomen (vgl. p. 302). Nog minder juist is het ten opzichte van Otto III, ofschoon Gregorovius hem “een Germaan van top tot teen” noemt. Zijn moeder, de Byzantijnsche prinses Theophano, die afstamde van Keizer Basilius en Leo, bekend als philosoof, had hem begiftigd met een oostersch temperament en fantastische neigingen en zij had zijn geestdrift voor de Byzantijnsche beschaving en de idealen van het Christendom in het oosten aangewakkerd.