Note 6 — St. Benedictus.
Reading edition
Ongeveer 542 bezocht de Gotische koning Baduila (Totila) St. Benedictus. Men zegt dat de heilige hem heeft herkend, ofschoon hij zich vermomd had, hem streng heeft berispt wegens zijn verwoestingen, en hem zijn dood heeft voorspeld, die echter eerst tien jaar later plaats vond. Kort daarna, in Maart 543, stierf Benedictus zelf. Zijn stoffelijk overschot, evenals dat van zijn zuster, ligt onder het hoogaltaar van de kloosterkerk van Monte Cassino. Deze kerk (herbouwd in de 17e eeuw) heeft bijna niets, wat ouder is dan de elfde eeuw, uit welken tijd, naar men meent, de bronzen deur, een Byzantijnsch werk, is. Op het plein van de kerk staan oude zuilen; er is wel beweerd dat dit zuilen waren van den tempel van Apollo of Venus (zie p. 167). Het klooster is meermalen afgebroken. In 589, slechts zestig jaren na de stichting, werd het verwoest door de Longobarden. Toen vluchtten de monniken naar Rome en bleven daar 130 jaar. In 883 werd de plaats genomen en verbrand door de Saracenen en de monniken ontsnapten naar Capua en Teano; maar reeds in 886 was hun abdij (Badia) herbouwd. Evenals andere kloosters in Italië, is ook dit geseculariseerd (1866) en een nationaal monument geworden. Toch bevat het nog een seminarium en wordt bewoond door ongeveer veertig monniken. De librije, vroeger wereldberoemd, bezit nog menig kostbaar manuscript. In den tijd van Dante schijnt die zeer veronachtzaamd te zijn, zooals men kan zien uit een verhaal6, dat Benvenuto, de Dante-commentator geeft van een bezoek, dat Boccaccio aan die librije had gebracht; hij vond “de bewaarplaats van zoo groote schatten zonder eenige deur of andere afsluiting, gras voor de vensters, en alle boeken en planken vol stof. Uit sommige boeken waren heele bladen gescheurd, van anderen de randen afgeknipt. Bedroefd en weenend ging hij heen; in het klooster kwam hij een monnik tegen en vroeg hem, waarom die kostbare boeken zoo verminkt waren. Deze antwoordde, dat eenige monniken, om een paar dukaten te verdienen, er bladen uitscheurden om psalmboekjes voor jongens te maken; en van de randen maakten zij breviaria, die zij aan vrouwen verkochten. Pijnig dus, o, geleerde, uw hersenen om boeken te schrijven!”