Note 2 — tot c. 1320.
Reading edition
De ontwikkeling van de Florentijnsche Republiek werd in den beginne belemmerd door het ontstaan van verderfelijke veeten. Wij hebben reeds verhaald, hoe de moord op Buondelmonte, die bij het voetstuk van het oude standbeeld van Mars werd gedood, de stad in twee verbitterde partijen verdeelde, die aangevoerd werden door de Donati en de Uberti, en hoe de keizerlijken gebruik maakten van dezen twist om hun eigen belangen te bevorderen. Gesteund door den sterken invloed van Keizer Frederik II slaagde de Ghibellijnsche adel erin de democratische en pauselijke Welfen-aanvoerders te verjagen. Maar na den dood van Frederik II werd de Welfsche partij teruggeroepen en in eere hersteld als een belangrijk deel van de Florentijnsche Republiek onder leiding van een Capitano del Popolo, en eindelijk, toen in 1259 Ezzelino, de groote Ghibellijnsche tyran van Noord-Italië, was overweldigd en gedood, werd de volkspartij in Florence zoo machtig, dat zij op haar beurt haar tegenstanders verdreef. Derhalve hadden in Florence een tijdlang de Welfen de overhand en werd de witte lelie rood geverfd2. Maar de verbannen Ghibellijnen verzamelden een groot leger te Siena, en aangevoerd door Farinata degli Uberti versloegen zij, met de hulp van de Sieneezen, Pisanen en Manfred’s Duitsche ruiterij, de krijgsmacht, die de Florentijnen tegen hen in het veld hadden gebracht. De slag vond plaats bij Montaperti, niet ver van Siena, in 1260 (vijf jaar voor de geboorte van Dante). De slachting, vooral om de Florentijnschen Carroccio, was zoo verschrikkelijk, dat de Arbia door het bloed rood werd geverfd, zooals Dante3 zegt; en zoo verpletterend was de nederlaag, dat de Welfen naar hun eigen stad niet durfden terugkeeren, maar naar Lucca vluchtten. Hoe Florence door de overwinnaars toen werd veroordeeld met den grond te worden gelijk gemaakt en hoe de stad door Farinata werd gered, is aan alle lezers van Dante bekend4.