Note 18 — Theodosius de Katholieke.
Reading edition
Ongeveer in het jaar, waarin Constantijn het purper aannam (305), trok een geestdriftig, geloovig jongeling in Egypte, bekend als Antonius van de Thebaïs, zich in de woestijn terug. Zijn voorbeeld werd weldra nagevolgd en vele duizenden fanatieken, die zichzelf woestijn-menschen (heremieten) of afgescheidenen (anachoreten) noemden, begonnen de zandige en rotsachtige wildernissen van het Nijlland te bevolken, totdat hun aantal de bevolking van alle steden van Egypte evenaarde. Het is onnoodig de bekende, afschuwelijke krankzinnigheden van het anachoretisme te beschrijven en het is overbodig zich te verwonderen over deze monsterachtige voortwoekering, die zelfs het bestaan van de Christelijke religie bedreigde. Het systeem van afzondering bleek op den duur onmogelijk. De cel van elken welbekenden kluizenaar werd omringd door de hutten van zijn vereerders; een “eenzame” van Gaza, Hilarion, had, naar men verhaalt, een gevolg van drie duizend menschen; en weldra vond een anachoreet, Pachomius, het meer in overeenstemming met de voorschriften van het Evangelie ongeveer veertien honderd kameraden (“coenobiten”, samenwoners) om zich te verzamelen, waarvan hij een monniken-huishouding maakte, natuurlijk geen monniken-orde, zooals Benedictus later stichtte. Kloosters verrezen nu in groote getale en wel over de geheele Christelijke wereld, van de woestijnen van Syrië, Egypte en Ethiopië18 tot de wildernissen in Gallië en Brittannië, waar het leven van eenzame afzondering moeilijk na te volgen was door het klimaat, en een beschaafder vorm van ascetisme trad blijvend op.