Note 17 — Theodosius de Katholieke.
Reading edition
Ongeveer 750, zegt Gregorovius, brachten lange reeksen van wagens voortdurend van de Campagna en de Catacomben geweldige massa’s schedels en skeletten naar Rome, die de Pausen sorteerden, etiquetteerden en voor uitvoer verkochten. De plundering van graftomben en het in stukken deelen van geraamten echter voor export en verkoop aan pelgrims was nog weinig en vogue in Rome vóór de 8e eeuw. De oudste Kerken werden gebouwd over de tomben van martelaren en men droeg er groote zorg voor het graf niet te schenden, dat dikwijls zichtbaar was door een traliewerk in het altaar—het “venster van de belijdenis.” Zakdoeken etc. die men met de graftomben in aanraking bracht, verkregen de wonderkracht van echte reliquieën. Zij werden “brandea” genoemd en uitgevoerd.
In het grootste werk over de oude Christelijke Kerk, de Civitate Dei, verzekert St. Augustinus, dat ontelbare mirakels tot stand kwamen door zulke “brandea” van de tombe van St. Stephanus, wiens lijk bij Jeruzalem was ontdekt (in een visioen). In zijn eigen diocese hadden volgens zijn verklaring meer dan zeventig mirakels plaats op die wijze, waaronder drie verrijzenissen uit den dood; ook de handel in heilige olie (van de lampen, die vóór de tomben der Heiligen brandden) was zeer groot. Meer dan zeventig fleschjes (ampullae) van wonderdadige olie werden door Theodelinda voor haar Monza-Kathedraal gekocht en eenige zijn er nog van over.