Note 4 — 800–1200.
Reading edition
Het heerschende beginsel van de Romaansche bouworde was nog steeds strenge, stijve kracht. Bij het antieke systeem van zuilenrijen en architraven (wat Gotische zeloten de “kruipende, verachtelijke, horizontale” bouworde noemen, ofschoon het leidende beginsel juist het volmaakt verticale is) bestond geen buitengewoon zware druk van boven en bijna volstrekt geen zijdelingsche druk (deze laatste was inderdaad afwezig, wanneer het dak ontbrak of vlak was). Toen de door bogen gedragen “clerestory”4 van de basilieken hooger werd, brachten de zijbeuken voldoenden steun aan; maar toen de Byzantijnsche koepels, de Romaansche bogen en apsiden grootere afmetingen begonnen aan te nemen, werd het noodzakelijk muren van geweldige dikte te bouwen of deze aan de buitenzijde te versterken. En hier kan er in het voorbijgaan op gewezen worden, dat het beginsel van evenwicht (in plaats van strenge kracht), dat later in de Gotische architectuur werd toegepast, het mogelijk maakte, dat de zwaarste massa’s gedragen werden door een systeem van bogen en pijlers (of “bundelpijlers”) en uitwendige contraforten (steunbeeren), zoodat betrekkelijk dunne muren, nog verzwakt door geweldige ramen, in staat waren het geheel met groote zekerheid omhoog te houden, ofschoon men moet toegeven, dat het inwendige van een groote Gotische Kathedraal, wanneer men een oogenblik het uitwendige stelsel van contra-forten vergeet, wel geschikt is om iemand een gevoel van onbehaaglijke onveiligheid te geven.