Note 1 — De schrijvers.
Reading edition
Het werk van Boëthius is een van de meest oprechte en gevoelvolle boeken, die ooit geschreven zijn en staat zelfs in vele opzichten boven de Apologia van Socrates of de Phaedo. De uiterlijke vorm is eenigszins dramatisch. Philosophia, een voorname jonkvrouw, verschijnt bij Boëthius in den kerker, waar hij met hulp van de Muzen verzen heeft geschreven en zwijgend nadenkt over hetgeen hij geschreven heeft. Zij stuurt de bekoorlijke dochters van Mnemosyne eenigszins ontstemd weg en ondervraagt hem. Hij beschrijft zijn ellende en verdedigt zijn gedrag: hij wil een verslag van zijn onrechtvaardige behandeling nalaten; hij klaagt Fortuna aan en beroept zich, evenals Job, op God. Philosophia troost hem, en, ofschoon zij de Muzen heeft weggezonden, gaat zij soms tot den poëtischen vorm over. Zij verzoekt hem dan zijn geloof te belijden en hierover houden zij een langen dialoog in proza en poëzie; de verzen, vol van schoone gedachten, zijn Horatiaansch van taal en vorm, en geven bovendien nog wel zes en twintig variaties van Anacreontische, Sapphische en Asclepiadeïsche versmaten. Philosophia vindt dat Boëthius zichzelf niet kent (een toespeling op het Delphische “Ken u zelven”) en spoort hem aan zich niet te bekommeren om de wufte Fortuna. “Ach”, roept hij uit, “dat zijn mooie woorden, maar ellende is werkelijkheid.” Dan herinnert zij hem aan zijn vroeger geluk—aan zijn vrouw, zijn zonen, zijn aanzien, zijn rijkdom. Hierop antwoordt hij: “De grootste smart in elken tegenspoed is gelukkig geweest te zijn”, een gevoelsuiting, die weerklank gevonden heeft bij vele schrijvers en door Dante in onsterfelijke verzen is vereeuwigd.1 Maar Philosophia wijst er hem op, dat hij nog steeds de liefde van zijn gezin bezit en nog meer, dat hem gelukkig moet maken, en vaart uit tegen eerzucht en roem. Hij antwoordt, dat niet de gewone eerzucht hem tot het deelnemen aan de staatszaken dreef, maar de wensch om zijn krachten te gebruiken ten voordeele van zijn medemensenen. Zij keurt dat goed, maar weidt weer uit over de hooge macht van de Liefde en zingt de lof van haar, die het heelal in harmonie vereenigd houdt: “gelukkig zou het menschenras zijn, indien dezelfde liefde, die den hemel bestuurt, ook de menschen bestuurde, want er bestaat geen hoogere wet dan die, welke de liefde zichzelf stelt: