Note 1 — Attila de Hun.
Reading edition
In het jaar 429 staken de Vandalen onder hun koning Gaiserik1, misschien op uitnoodiging van den Romeinschen stadhouder Bonifacius, den grooten mededinger van Aëtius, van Spanje over naar Afrika. De inval in de rijke en vruchtbare provincies van Noord-Afrika behoefde eigenlijk nauwelijks te worden aangemoedigd door een verrader. In Spanje waren de Vandalen hevig aangevallen door de West-Goten, wier koning Wallia het grootste deel van het land had onderworpen, maar Gaiserik of Genserik, die, zooals de beroemde Spartaansche koning Agesilaus, klein en kreupel was (door een val van zijn paard) schijnt hun leger gereorganiseerd en zelfs een veldtocht ondernomen te hebben (428) tegen de Sueven in het tegenwoordige Noord-Portugal. In het volgend jaar landt hij op de kust van Afrika met een groote strijdmacht en een menigte vrouwen en kinderen—te zamen misschien 80.000. Deze landing is levendig, misschien met te groote fantasie, door Gibbon beschreven. “De Mooren, die langzamerhand de kust en het kamp van de Vandalen durfden naderen, moeten wel met schrik en verbazing de kleeding, de wapenen, de krijgshaftige houding en de tucht van de onbekende vreemdelingen, die hun land hadden betreden, aanschouwd hebben; en de schoone gelaatskleur van de blauwoogige Germaansche krijgers vormden een merkwaardige tegenstelling met hun zwarte of olijfkleurige tint, veroorzaakt door de nabijheid van de heete zone. Nadat de eerste moeilijkheden, ontstaan door de wederzijdsche onbekendheid met elkanders taal, uit den weg waren geruimd, sloten de Mooren een verbond met de vijanden van Rome, en benden van naakte wilden stormden uit de wouden en de dalen van het Atlas-gebergte om zich te wreken op de beschaafde tyrannen, die hen de heerschappij over hun vaderland ontrukt hadden.”