Note 7 — Attila de Hun.
Reading edition
Een nieuwe barbaarsche macht was opgetreden—die van de Franken, een lang, vlasblond, blauwoogig ras, dat zich had gevestigd aan den Beneden-Rijn, de Maas, en in het land van de Belgae. Na den dood van hun koning Clodion kregen zijn twee zonen twist. De een riep Attila te hulp; de ander Meroveus (misschien Merowig, die zijn naam gaf aan de Merovingers) zocht hulp bij Aëtius. Attila besloot de gelegenheid aan te grijpen om een inval in Gallië te doen. Mogelijk rekende hij ook op de medewerking van de West-Goten, wier koninkrijk in Zuid-Gallië en Spanje bestuurd werd door Theoderik (wellicht den zoon van Alarik). Maar de West-Goten waren in dien tijd hevig verbitterd op Gaiserik, den koning der Vandalen in Afrika, die de bruid van zijn zoon, Theoderik’s dochter, naar Toulouse terug had gestuurd met afgesneden neus en ooren; hij had haar beschuldigd hem te willen vergiftigen. Theoderik hoopte daarom de hulp van Aëtius te verwerven tegen den Vandalen-koning; deze wendde zich natuurlijk tot Attila en vroeg hem Theoderik en Aëtius aan te vallen, terwijl hij hem beloofde troepen in Zuid-Gallië aan land te zetten. Attila met zijn Hunnen en Oost-Goten vereenigden zich dus met de Franken aan den Neckar, en vertrouwend op de medewerking van de Vandalen, trok hij den Rijn over bij Speyer en verwoestte de Gallische provincies. Metz en Reims werden geplunderd. Troyes werd door zijn bisschop, St. Lupus, gered, die een dergelijke vreemden invloed op Attila schijnt uitgeoefend te hebben als later Paus Leo7. De Heilige Genoveva trad ter bescherming van Parijs (Lutetia) op, zooals later Jeanne d’Arc voor Orléans zou optreden en keerde den stroom van barbaren. Orléans werd belegerd, en de muren stortten reeds voor den stormram in, toen als antwoord, naar men zegt, op de gebeden van den bisschop Anianus, het vereenigde leger van Aëtius en Theoderik opdaagde.