Note 6 — Attila de Hun.
Reading edition
Van de vele gezantschappen, die tusschen Attila en Theodosius gewisseld zijn, is er een van buitengewoon belang voor ons, omdat wij een volledig verslag van dit bezoek der Romeinen aan de residentie van den Hunnen-koning hebben; in het Nibelungenlied heet deze Etzelnburg d.w.z. burcht van Attila, die misschien ergens tusschen den Donau en de Theiss lag. Attila had twee gezanten naar Constantinopel gezonden, Edeco en Orestes (zie p.p. 15 en 16) om vluchtelingen op te eischen, en door den tolk6 werd hun uit naam van een ambtenaar van het hof een plan voorgelegd om Attila te vermoorden. Zij namen het voorstel aan en ontvingen een zware beurs met goud, maar besloten den aanslag aan hun koning mede te deelen. Op hun terugkeer vergezelde hen, maar natuurlijk onbekend met het complot, Maximinus, een aanzienlijke hoveling, en zijn vriend Priscus, wiens dagboek, hoewel fragmentarisch, nog over is. Zij vonden de streek in het Noorden overal verwoest door Attila’s invallen. Sardica (Sofia) en Naissus (Nissa, geboorteplaats van Constantijn den Groote) waren geslecht en verlaten; slechts een troep zieke menschen kroop tusschen de ruïnes rond. Zij trokken de heuvelige streken van het tegenwoordige Servië door en vonden overal het stoffelijk overschot van menschen; zij staken den Donau over in kano’s van uitgeholde boomen en bereikten de legerplaats van Attila.