Note 3 — tot c. 1200.
Reading edition
Wij hebben reeds gezien (Deel III, hoofdst. III), hoe Venetië in vroege tijden reeds voordeel trok van zijn natuurlijke ligging om een bond te stichten van de steden op de eilanden en zich zoowel van het oostelijk als van het westelijk Keizerrijk vrij te maken. Ook in het zuiden vinden wij reeds vroeg ettelijke zeesteden, zooals Napels, Gaeta, Salerno en Amalfi3, die haar onafhankelijkheid trachten staande te houden (niet altijd als republikeinschen regeeringsvorm); deze steden bereiken door haar handel een hoogen graad van welvaart en door haar vloten worden zij belangrijke zeestaten, die den Mohammedaanschen indringers krachtigen weerstand bieden en zich ook weten staande te houden tegen de Byzantijnsche overweldigers en tegen de Noormannen, totdat zij ten slotte bij het koninkrijk van de Beide Siciliën worden ingelijfd. Toen de onafhankelijkheid van deze zuidelijke zeesteden door de Noormannen was gebroken, ging, ofschoon de Noormannen haar handel volstrekt niet vernietigden, toch een groot gedeelte van dien handel over op de Pisanen, Genueezen en Venetianen. In het begin van de elfde eeuw waren de vloten van Pisa en Genua er in geslaagd Sardinië te bezetten en de Saracenen4 van de Ligurische en Toskaansche kusten en zeeën te verdrijven, en sinds dien tijd groeide de macht van deze twee steden, onder het bestuur van hun republikeinsche consuls en volksvergaderingen zeer snel aan, zoowel te land als ter zee; Pisa werd heerscheres over de Toscaansche en Romeinsche Maremma van Spezia tot Civita-vecchia en ook over Sardinië en de Balearen, terwijl Genua het grootste gedeelte van de Riviera bezette en Pisa het bezit van Corsica betwistte. Beide steden hadden ook een werkzaam aandeel in de kruistochten en breidden om strijd hun handel naar het oosten5 uit, zoodat zij eeuwen lang alle andere machten ter zee, behalve de Venetianen, overvleugelden; maar Venetië had twee groote voordeden; het stond in nauwe verbinding met het Byzantijnsche Keizerrijk, en het had den transito-handel van de oostersche handelswaren, bestemd voor West- en Noord-Europa, waar nu de verfijning en de weelde van oudere culturen in hooge mate begon door te dringen.