Note 20 — tot c. 1200.
Reading edition
Sinds de dagen van St. Ambrosius was de kerk van Milaan, evenals die van Ravenna, geneigd haar onafhankelijkheid tegenover Rome te handhaven, en in tijden van gevaar of wanorde na den val van het Longobardische koninkrijk maakten de Aartsbisschoppen van Milaan zich soms van de leiding van de stad meester en namen de teugels van het burgerlijk gezag in handen. Een treffend voorbeeld hiervan ziet men in den persoon van den Aartsbisschop Aribert (Heribert, Herbert), die ongeveer tien jaar lang, van 1035 tot 1045, zich tegen de Keizers Koenraad II en Hendrik III verzette. Eerst stond hij aan den kant van de keizerlijken (voor kroning van Koenraad en Gisela zie p. 310) en voerde den adel aan tegen het volk en de lagere nobiliteit; maar er viel verdenking op hem en hij werd door Koenraad gevangen genomen. Ten slotte stelde hij zich aan het hoofd van de volkspartij en trotseerde de keizersgezinde edelen en de strijdmacht van den Keizer, die Milaan aanviel, maar stierf, terwijl het nog steeds belegerd werd. Aribert schijnt de geheele burgerij met geestdrift voor de vrijheid bezield te hebben en sloeg de aanvallen van de belegeraars dapper af. Een uitvinding van hem, die later door andere Italiaansche steden werd nagevolgd20, bleek zeer krachtig de vaderlandslievende gevoelens van de burgers op te wekken. Dit was de Carroccio, die, evenals de Ark van de Israelieten, de burgers naar het slagveld vergezelde, een wagen, die door ossen werd getrokken, en waarop een mast stond met een groot crucifix en twee wapperende vaandels. Van dezen wagen of van een tweeden, die daar achter kwam, weerklonk de bel, die aan den strijders signalen gaf.