← Table of contents
Italië in de Middeleeuwen

Note 19 — 300–800.

Reading edition

Maar of het woord comacinus in eenig verband staat met het eiland of met Como, is onzeker en het is niet onwaarschijnlijk, dat het zou beteekenen mede-metselaar, co-macio (het middeleeuwsch-Latijnsche macio = maçon), dus een lid van het metselaarsgilde, ofschoon wij niet dadelijk moeten aannemen, dat deze magistri Comacini, aan wie zoo vele privileges werden gegeven, werkelijk vrijmetselaars waren d. w. z. de middeleeuwsche erfgenamen en overbrengers van de maçonnieke mysteriën van Koning Salomon.19 Hoe het ook zij, wij mogen het als een feit beschouwen, dat Italiaansche bouwmeesters en beeldhouwers, waarschijnlijk uit Rome, in grooten getale gebruikt werden door de Longobardische veroveraars, en dat de beeldhouwers—de architecten waarschijnlijk niet—hun eigen artistieke neigingen geheel moesten wijzigen naar den eigenaardigen smaak van de heerschers. Deze heerschers nu schepten vermaak in groteske en min of meer monsterachtige diervormen en waren volkomen ongevoelig voor stuitende wanstaltigheid, want deze eigenaardigheden ontmoeten wij in al haar naakte leelijkheid ten Noorden van de Alpen en overal in Noord-Italië, waar wij zuiver Longobardisch werk20 aantreffen. Maar in architectuur is de Romeinsche of Comacijnsche bouwmeester zichzelf gebleven en ofschoon hij eenigszins rekening hield met de eischen en de traditioneele ideën van zijn Longobardischen heer, heeft hij langzamerhand een nieuwen stijl ontwikkeld, dien wij kennen als den Longobardisch-Romaanschen, den oorsprong van alle andere Romaansche bouwkunst, de Toskaansche, Germaansche, Noordsche.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings