← Table of contents
Italië in de Middeleeuwen

Note 17 — 300–800.

Reading edition

De vraag komt hier bij ons op, waar Theodelinda haar bouwmeesters en beeldhouwers voor al deze gebouwen vandaan haalde? Vanwaar kreeg Agilulf, haar gemaal, de “Italiaansche kunstenaars”, die zij naar de Avaren stuurde om hen den scheepsbouw te leeren (ad faciendas naves)? Waren deze architecten en “kunstenaars” Italianen17, of Byzantijnsche werklieden van Ravenna? Welke andere stad had hen kunnen verschaffen? Er bestaat een verleidelijke theorie, gebaseerd op niet zeer vaste gronden, dat vele leden van de Romeinsche kunstenaars-gilden, verdreven uit Rome, waar kunst, geleerdheid, en ook de taal, tot een zeer laag peil waren gezonken, noordwaarts zijn getrokken en als hoofdkwartier hebben gekozen dat kleine eiland in den Lago di Como, de Isola Comacina, dat Theoderik had versterkt en dat later een stevig bolwerk was van het Byzantijnsche Exarchaat, maar door de Longobarden tijdens de regeering van het Autharis werd genomen (587). Deze theorie is gegrond op het feit, dat “Comacijnsche bouwmeesters” door de kroniekschrijvers vermeld worden. Door de wetten van Rotharis b.v. (c. 640) worden aan deze magistri Comacini zekere privileges toegekend ten opzichte van slaven, huisbedienden, contracten enz., en een eeuw later (739), tijdens de regeering van Luitprand, wordt een Comacijnsch meester Rodpert (blijkbaar een Noorman, geen Romein) genoemd, die te Toscanella bezig schijnt te zijn met den bouw van de prachtige basiliek van S. Pietro. (fig. 25).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings