← Table of contents
Italië in de Middeleeuwen

Note 3 — 300–800.

Reading edition

Het eigenaardig verschil, dat de Romeinsche bouwkunst van de Grieksche onderscheidt, is voornamelijk gelegen in de toepassing van den boogvorm, niet alleen bij tempels, maar ook bij de groote bouwwerken van algemeen nut, aquaeducten, bruggen, reusachtige amphitheaters en badhuizen. Het eigenlijke verschil tusschen de twee stijlen kan men zich het best denken, wanneer men zich het Parthenon en daarna de bekende aquaeduct, den Pont du Gard voor oogen stelt. Groote aquaeducten en groote bruggen waren, als bouwwerken, den Grieken onbekend, ofschoon zij hun Enneakrounoi en schipbruggen, zooals die van Xerxes, hadden. Werken van dien omvang en met die bedoelingen zijn onuitvoerbaar in een stijl, welks leidend beginsel een horizontaal systeem was van architraaf, fries en kroonlijst gedragen door zuilen. Het is waar, dat het gewelf reeds gevonden wordt in de Grieksche bouwkunst (b.v. in de oude grafkamers te Mycenae) en de ἀετός of de driehoekige gevel een neiging vertoont tot het principe van wederzijdschen steun. Maar toen de Romeinen den boogvorm aannamen, en ook het gewelf, de apsis en den koepel3, ontstonden er geheel nieuwe mogelijkheden; de oude Grieksche bouworde verloor zijn constructieve functie en werd meer dienstbaar gemaakt aan de versiering; want in de groote Romeinsche gebouwen, zooals de amphitheaters, werden de zuilen dikwijls voor colonnades gebruikt, de een boven den ander, een bouworde, die ongetwijfeld artistiek onjuist maar soms toch zeer indrukwekkend is, indien de verhoudingen goed zijn. De Romeinsche boog had geen zuilen noodig; het was oorspronkelijk niet anders dan een boog uitgehouwen in een dikken muur, en de horizontale bovenbouw van den ouden stijl werd gebogen en dikwijls als een nutteloos overblijfsel aangegeven door een versiering langs den boog, die soms zelfs van de basis van den eenen pijler naar den ander liep.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings