Note 4 — 1190–1313.
Reading edition
De Paus, die aldus in naam regent over de “Beide Siciliën” werd (want dit was het eenige rijk, waarop Constantia, als erfgenaam van de Koningen der Noormannen, aanspraak kon maken) was Innocentius III, de zoon van een Lombardischen Graaf van Segni en van een Romeinsche moeder. Op den leeftijd van zeven en dertig jaar besteeg hij den pauselijken troon, ongeveer drie maanden na den dood van Hendrik VI. Hij was van alle pausen misschien de bekwaamste, zeer zeker de eerzuchtigste en door een geweldige begeerte tot heerschen bezield; en ten slotte slaagde hij erin een tijdlang zijn droom van een pauselijk rijk verwerkelijkt te zien en alle monarchen4 van Europa aan zich te onderwerpen, terwijl hij hun koninkrijken tot leengoederen van het Pausdom maakte. “Zulk een schouwspel”, zegt een schrijver uit den tegenwoordigen tijd, “had men sinds Karel den Groote niet meer gezien; en men zou het niet wederzien voor de komst van Napoleon”. En zijn veroveringen bepaalden zich niet tot de koninkrijken van het Westen; ook over het Oosten was hij leenheer; want toen (1202–1204) Constantinopel werd veroverd en op schandelijke wijze5 door Fransche, zoogenaamde Kruisvaarders en de Venetianen werd geplunderd, bekende hij eerst wel, dat dit feit ook op hem een smet wierp, maar weldra troostte hij zich er mede, dat de Paus te Rome door de nieuwe Latijnsche dynastie der Byzantijnsche Keizers erkend werd; de eerste Keizer aanvaardde het keizerlijk purper uit de handen van den gezant van Innocentius en de derde werd gekroond en ingehuldigd in de St. Pieter te Rome door den opvolger van Innocentius, Honorius. Inderdaad was geen ijdele bluf gelegen in de woorden, die aan Innocentius worden toegeschreven, dat een Keizer slechts een maan was, die haar licht ontleende aan de zon van het Pausdom6.