Note 10 — 1190–1313.
Reading edition
Ondertusschen had in Italië Paus Gregorius, die nog steeds te Perugia in ballingschap was, een Heiligen Oorlog afgekondigd tegen den afwezigen en geëxcommuniceerden Keizer en toen Frederik in Apulië landde (1229), stootten zijn Kruisvaarders, waaronder vele Muzelmannen waren, op een bonte menigte, die zich geschaard had onder de banier van het Pausdom. Maar de Saraceensche soldaten van het Kruis joegen de pauselijke huurlingen op de vlucht en de Paus sloot gaarne vrede en was zoo genadig den banvloek over den Keizer op te heffen10. Daarna richtte hij zich met zijn troepen tegen een nederiger, doch niet minder gevaarlijken vijand—de Patarini en andere ketters, die sinds korten tijd hun verderfelijke leerstellingen in Noord-Italië en elders met grooten ijver verspreidden; en wij vernemen, hetgeen bevreemding wekt, dat Frederik zijn hulp verleende bij die ellendige vervolgingen. Gregorius IX kan aanspraak maken op de eer (die weinigen hem zullen benijden), dat hij het eerst de gevreesde rechtbank van de Inquisitie te Rome heeft ingevoerd en vele veroordeelde ketters heeft laten verbranden, waarschijnlijk op de piazza van de S. Maria Maggiore, om een Romeinschen feestdag te maken. In het voorbijgaan kunnen wij wijzen op het vreemde feit, dat het gepeupel te Rome, dat om staatkundige redenen zoo dikwijls Pausen verjoeg en terugriep, blijkbaar ten opzichte van zulke onmenschelijke daden, die in naam van den godsdienst werden bedreven, het steeds met de Pausen eens was. Maar toen het wispelturige gepeupel zijn oogen aan dergelijke autos-de-fé verzadigd had, keerde het zich plotseling tegen zijn weldoener en verjoeg hem weder uit Rome.