Note 26 — 1190–1313.
Reading edition
In het jaar 1267 trok de jonge, dappere Konradijn de Alpen over. Hij werd te Pavia en Pisa en in de andere Ghibellijnsche steden met geestdrift ontvangen. De zwakke banbliksem, die door den Paus uit Viterbo geslingerd werd, had geen uitwerking en in het midden van den zomer 1268 was de jonge koning te Rome, waar hij, op het Capitool door de wispelturige menigte tot Keizer werd uitgeroepen. Daar hij er zeer naar verlangde zijn vijand te ontmoeten, trok hij, misschien wat al te vroeg, met zijn troepen uit. Hij vond Karel niet ver van Tagliacozza, in de nabijheid van den Lago di Fucino. In den beginne was het geluk hem gunstig; maar zijn troepen sloegen aan het plunderen en werden toen plotseling aangevallen en verslagen door een sterke reserve van ruiterij onder aanvoering van Karel zelf en Valéry, connétable van Champagne. Konradijn ontsnapte met vijfhonderd ruiters en bereikte Rome; doch daar ontving men hem aarzelend en hij besloot met een klein aantal getrouwen te vluchten. Zij trokken naar het zuiden, naar de Pontijnsche moerassen, zooals eenmaal Caius Marius en Cicero hadden gedaan. Te Astura, dat toen een klein visschersdorp was, vond hij een schip en ging aan boord, in de hoop Pisa te zullen bereiken, maar de eigenaar van het nabijzijnde kasteel26, een van de Frangipani, maakte jacht op hem, nam hem gevangen en gaf hem aan zijn vervolgers over.