Note 17 — 1190–1313.
Reading edition
Een tijdlang bleef Frederik in het zuidelijk deel van zijn rijk, waar hij voortdurend in botsing kwam met de bondgenooten van den Paus, die nog steeds in zijn preeken tot kruistochten tegen den geëxcommuniceerden opwekte en zich voor geen middel schaamde de fanatieken tegen den “ongeloovigen vijand van den Godsdienst” en den “tweeden Nero” op te stoken, in de hoop, dat hij het “addergebroed” van de Hohenstaufensche vorsten zou kunnen uitroeien. Bedelmonniken, die door den Paus met goud waren omgekocht, trachtten de Siciliaansche edelen over te halen den Keizer te vermoorden17. Gelukkig evenwel werd de samenzwering ontdekt en kort daarna (1247) baande Frederik zich een weg naar Noord-Italië om met zijn zoon Enzio een veldtocht tegen de republikeinsche steden te ondernemen. Hier leed hij een verpletterende nederlaag, want gedurende het beleg van Parma, dat zich heldhaftig verdedigde, namen de belegerden, toen hij op jacht was, de gelegenheid waar om een uitval te doen, slaagden er in zijn legerplaats te verwoesten, doodden duizenden van zijn mannen en maakten vele gevangenen, zoodat hij in een toestand geraakte, die bijna even beklagenswaardig was als die, waarin Frederik-Barbarossa na den slag bij Legnano verkeerde, en met groote moeite zijn strijdkrachten in Cremona verzamelde om den oorlog weder te beginnen. Maar een tweede slag trof hem. Zijn zoon Enzio werd door de Bologneezen gevangen genomen en de ongelukkige jongeling bracht het overige van zijn leven, bijna 23 jaar, in gevangenschap door.18