Note 49 — 1190–1313.
Reading edition
Een ontzaglijke massa geld stroomde bijeen door de offers van de geloovigen, die zoo rijkelijk schonken, dat, zooals een ooggetuige zegt, “dag en nacht twee priesters bij het altaar van den H. Paulus stonden met harken in hun handen, waarmede zij het geld opharkten.” Een deel van dit geld werd door Bonifacius gebruikt om den onrechtvaardigen oorlog weer aan te wakkeren en door te zetten tusschen Jacob van Arragon en zijn broeder, Frederik van Sicilië, en ook om de plannen van Karel II (lo Zoppo) te bevorderen, zooals hij beloofd had te zullen doen. Maar het geld, dat met zulke schandelijke bedoelingen was verworven en werd uitgegeven, bracht weinig voordeel aan. Hierover verontwaardigd wendde Bonifacius zich, evenals Urbanus IV had gedaan, tot het Fransche hof en noodigde den jongsten broeder van den Franschen koning, Karel van Valois, den achterneef van Karel van Anjou, uit naar Italië te komen. Toen de Fransche prins te Anagni, de geboortestad en de geliefde verblijfplaats van Bonifacius was gekomen, werd hij benoemd tot Kapitein-Generaal van de Kerk en Vrede-stichter van Toskane. Hij werd door den Paus naar Florence gezonden om daar den vrede te herstellen, maar hij bewerkte slechts, dat de twisten nog in hevigheid toenamen en dat alle Ghibellijnen en afvallige Welfen, waaronder zich ook Dante49 bevond, werden verbannen. Karel van Valois bereikte in het zuiden niet veel meer, en nadat door den vrede van Caltabellotta een einde was gemaakt aan den broeder-oorlog tusschen Jacob en Frederik, moesten de vorsten van Anjou en de Paus alle hoop opgeven om Sicilië te heroveren.