Note 12 — 1190–1313.
Reading edition
In plaats van Hendrik koos Frederik als onderkoning van Duitschland zijn tweeden zoon, Koenraad. Daarna richtte hij zijn aandacht op de Welfsche Lombardische steden, die een groote welvaart hadden bereikt en daardoor onafhankelijker en oproeriger waren geworden, zoodat zij zelfs de passen over de Alpen hadden bezet en in voortdurenden strijd waren met de steden, die de zaak van den Keizer begunstigden. Het gezag van den Keizer had evenwel onlangs grooten steun gekregen door toedoen van den zoon van een monnik, den “Zoon van den Duivel” zooals men hem algemeen noemde, den “zwart-harigen Ezzelino”12, dien Ariosto een kind van de hel heeft genoemd en die met Alexander en Dionysius door Dante in de rivier van kokend bloed, de Phlegethon, wordt geplaatst. Ezzelino had zich reeds van verscheidene steden meester gemaakt; toen Frederik kwam en Vincenza innam, werd deze stad aan dien condottiere overgegeven; kort daarna nam hij Padua en Mantua en werd aldus tyran of onderkoning van een aanzienlijk gebied. Milaan stond aan het hoofd van den opstand der Welfsche steden, maar bij Cortenova leden zij een nederlaag even zwaar als die bij Legnano en Frederik trok Cremona zegevierend binnen, terwijl hij den Milaneeschen Carroccio met zich voerde, die door een witten olifant werd getrokken; aan den mast van den wagen was de Podestà van Milaan, Tiepolo, de zoon van den Doge van Venetië, gebonden. Gebroken overblijfselen van den Carroccio zond Frederik naar Rome om daar ten toon te worden gesteld en op het Kapitool te worden bewaard.