Note 44 — 1190–1313.
Reading edition
Tot de voornaamste vijanden van Bonifacius behoorden de Colonna. Hoe machtiger en aanmatigender hij zelf werd en hoe meer hij de Kerk plunderde om de invloedrijke partij van de Gaetani te steunen, des te heviger werd de vijandschap van deze edelen, vooral van den kant der twee kardinalen van het geslacht Colonna. In 1297 ging Bonifacius over tot een daad, die nog nooit had plaats gevonden en liet deze beide prelaten afzetten. Maar de familie der Colonna’s aanvaardde den strijd. Zij verklaarden de verkiezing van Bonifacius nietig en eischten, dat er een Concilie zou worden bijeengeroepen. Zij hechtten hun Manifest aan het hoogaltaar in de St. Pieter. Bonifacius sprak terstond over de ontslagen kardinalen den banvloek uit en kondigde een Heiligen Oorlog tegen hen af. De Colonna’s trokken naar hun burchten op het land; de sterkste van deze was Palestrina. De hardnekkige worsteling eindigde met de overweldiging en vernedering der Colonna’s. De geëxcommuniceerde kardinalen en edelen verschenen voor den zegevierenden paus als smeekelingen, met een touw om den hals. Men vertelt (het wordt echter ook tegengesproken), dat Bonifacius den schijn aannam hun vergiffenis te schenken, en aldus Palestrina in zijn bezit kreeg. Hoe dit ook zij, het staat vast, dat hij het bemachtigd heeft en dat hij, zooals Sulla vroeger had gedaan, het geheel en al heeft verwoest; slechts de kathedraal bleef gespaard; want zijn Bul, die nog over is, beveelt, dat de ploeg over de plaats44 moet worden getrokken en in de voren zout moet worden gezaaid, “zooals met het Afrikaansche Carthago was gedaan”. Nadat hij alle bezittingen van de inwoners had verbeurd verklaard, beval hij hen een nieuwe stad te bouwen, die hij Civitas Papalis noemde; maar kort daarna liet hij die in een vlaag van woede afbreken en de menschen werden verbannen. De Colonna’s vluchtten naar vreemde hoven, sommige zelfs naar Engeland. Dat waren de daden van den Hoogsten Herder van de Christelijke Kerk, “die een oorlog voerde dicht bij het Lateraan en niet tegen Saracenen en evenmin tegen Joden” (Inferno XXVII. 86).