Note 54 — 1190–1313.
Reading edition
Hendrik VII, die als graaf van Luxemburg zelf geen regierender Fürst was geweest en geen gewapende leenmannen tot zijn beschikking had gehad, was op den troon gekomen te midden van de woelingen, die volgden op de vermoording van Keizer Albrecht door zijn neef, Johan van Zwaben. Sinds de dagen van Frederik II was geen Duitsche monarch de Alpen overgetrokken om in Italië de gouden kroon te ontvangen54. Maar Hendrik koesterde hooger idealen. Zijn grootste eerzucht was het Duitsch-Italiaansche Keizerrijk te herstellen en in Rome gekroond te worden. De meeste van de Duitsche edelen weigerden hem te volgen, maar in 1310 verzamelde hij een paar duizend man te Lausanne, trok den Mont Cenis over en werd met groot gejuich door de Ghibellijnsche, en zelfs door eenige afvallige Welfsche steden van Noord-Italië ontvangen; en zijn leger werd aanmerkelijk vermeerderd door sterke contingenten, die verscheidene machtige edelen hem zonden. Doch er moesten ernstige moeilijkheden overwonnen worden: ten eerste de vijandschap van den Koning van Napels, thans Robert van Calabrië55; ten tweede de haat van de oude Welfen, zooals de partij der Neri (Zwarten) en Donati te Florence, die zoowel de Ghibellijnen als de afvallige Welfen, en met hen ook Dante56, had verbannen; ten derde, hetgeen het voornaamste was, de verontwaardiging van hen, die hem met zoo groote geestdrift hadden ingehaald, doch bitter teleurgesteld waren, omdat deze rex pacificus, zooals hij zichzelf noemde, alle plaatselijke partijen trachtte te vereenigen voor zijn imperialistisch doel, en de persoonlijke veeten, die de namen Welfsch en Ghibellijnsch hadden gekregen, niet in aanmerking nam, alsof deze te onbeteekenend waren en zijn aandacht niet verdienden.