← Table of contents
Niederländische Volkslieder

Liebesgedanken.

Reading edition

1‘Ik wou dat alle de boomkens bloeiden

die daar in de wilde woude staan,

behalven een klein boomken,

dat en kander geene loveren ontfaan.’

2Wat zoude ik loveren dragen,

ik en heb er geen wortelkijn.

mijn zoete lief is uit den lande,

hei! hoe zeere verlanget mijn!

3Ik en magze zien noch hooren spreken,

hei! quaa klappers die benijden dat’s mijn.

ik wou dat alle de quaa nijders

en quaa klappers waren over den Rijn!

4En ik met mijn zoete waarde liefjen

waar gesloten in een duister kamerkijn,

hoe luttelijk zoude ik vragen,

hei! wanneer het schoon licht dag zoude zijn!

5Het daget in het Oostnoordoosten,

hei! dat doeter mijn jong hertje zoo wee:

te scheiden van mijn zoete liefjen,

hei! dat breekter mijn jong hertje aan twee.

6Ten einde van mijn liefjens hoofden

hei! daar staater noch een kofferkijn,

en daar leit inne besloten

hei! mijn zoete liefjens trouwetjen van mijn.

7Ten einde van mijn zoete liefjens voeten

hei! daar staater noch een flesje met wijn,

en daar en zal niemand uit drinken,

of het zal den alderliefste zijn.

8Ten einde van mijn liefs bogaarde,

hei! daar staander noch twee boomkens fijn,

den eenen draagt nooten muschaten,

hei! den ander die draagt nagelen fijn.

9Die nagelen smaken alzoo zoete,

o de nootjens bennen alzoo rond:

ik hooper noch t’ avond te kussen

hei! mijn zoete liefjens rooder mond.

10De nagelen, noote muschaten,

hei! dat isser zoo goed malenkruid,

dat zullen wij de mooie meisjes schenken

hei! wanneer zij zullen zijn de bruid.

Nordholländisch: Scheltema’s Samml., Anf. des 18. Jahrhunderts. Das Lied wird in der Ueberschrift ein “altes nordholländisches” genannt. Es scheint bei Verlobungen oder Hochzeiten gesungen zu sein. Gewürznägelein und Muscatnüsse wurden bei solchen Gelegenheiten der Braut geschenkt, wie der Schluss (10, 3. 4.) deutlich ausspricht. Das malenkruid findet dadurch auch seine Erklärung, es ist an kein malkruid (Bilsenkraut) der heutigen Sprache zu denken, sondern vielmehr ein altes maalkruid, dem maalschat entsprechend anzunehmen. Es fragt sich, ob sich nicht am Ende das Kraut in “Kraut u. Wein” Theophilus I. 265. (meine Ausgabe S. 41.) auch so erklären lässt?

Wenn nicht bessere Texte zum Vorschein kommen, wird das Verständniss dieses Liedes schwer zu erreichen sein.

Str. 6–9. finden sich auch häufig in deutschen Volksliedern.

¶ 1, 4. loveren, Mz. von loof, wie Laubern von Laub nicht mehr üblich—3, 2. klapper, Klaffer, Verläumder—4, 3. luttelijk, sehr wenig—9, 1. nagelen, Gewürznägelein, weil die Frucht die Gestalt der Nägel hat.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings