Der Todwunde.
Reading edition
1Daar is een vrouw maget vroeg opgestaan
en barrevoets door den daauw gegaan.
2Dat’s barrevoets doer den diepen daauw,
daar vond zij haar liefje vol wondekens staan.
3Hij zeide: ‘vrouw maget verschrik zoo niet!
al ben ik vol wonden, ik sterf noch niet.
4Al ben ik mijn jong hart doorwond,
wou gij mij verbinden dan waar ik gezond.’
5‘Dat’s uwe verbinder wil ik niet zijn,
ik draag er verborgen een kindje zoo klein.’
6‘Draagt gij verborgen een kindje zoo klein,
daar zal ik, schoon liefje, de vader van zijn.’
7‘Zult gijder de vader van mijn kind zijn,
dan zal ik verbinden uw wonden certein.’
8Dat meisje trok uit haar sneuteldoek wit,
verbond er haar liefje zoo blijelijk mit.
9De sneuteldoek was er van bloede zoo rood,
al in het verbinden zoo bleef hij dood.
10‘Nou is er de vader van mijn kind dood:
begraaft hem al onder roo roosekens rood!
11Begraaft hem al onder de egelentier!
dat grafje zal dragen roo roosekens fier.’
Holländisch: De Hollandsche Bazuyn 1719. bl. 29 (Willems Nr. 99.)—Vgl. das ältere deutsche Lied bei Uhland Nr. 93. und wie es noch im Munde des Volks lebt: Schles. Volkslieder Nr. 167–169. Mittler Volksl. Nr. 51. 52.
¶ 9, 1. sneuteldoek, snutteldoek, jetzt neusdoek, Schnupftuch. Im Deutschen hier ein Schleierlein—10, 1. nou für nu—11, 1. egelentier, wilder Rosenstrauch, Hor. belg. 3, 133.