Liebe ohne Stand.
Reading edition
1Daar reed er een ridder al door het riet
en hij hief op en zong een lied
en een liedje met heldere stemme,
dat het tusschen twee bergen klemde.
2En dat verhoorde een jonkvrouw fijn,
zij lag er op hare slaapkamer allein,
en zy vlegtte haar haartje met zijde:
met den landsknecht woude zij rijden.
3De landsknecht had ze zoo lief en waard,
hij zette ze voor hem op zijn paard
en voerde ze in korte wijlen
wel vierenzeventig mijlen.
4Hij voerde ze over een akker was wijd,
dat was er met roode roosjes bespreid,
hij zeide: ‘vrouw maget, gij moet achterwaarts staan,
mijn graauwe ros is er zoo moede van gaan.’
5‘Waarom zoo zoude ik achterwaarts staan?
had ik er mijn vaders raadje gedaan,
daar toe mijn vrouw moedertjes wille,
ik had er geweest een keizerinnen.’
6‘Had gij er geweest een keizerin,
en ik er een markgraaf zijn zoontje bin,
zoo laat het u, mooi meisje, niet rouwen,
want morgen zal ik u trouwen.’
7‘Eer ik was uw getrouwde wijf,
veel liever verloor ik mijn jonge lijf;
eer ik was uw getrouwde huisvrouwe,
ik liet liever mijn hoofdje afhouwen.’
8Eer zij er dat woordje ten halve sprak,
haar hoofdje al voor haar voeten lag,
en met een al zoo scherp zwaarde
sloeg hij er dat hoofdje ter aarde.
9Hij nam het hoofdje bij het haar,
hij wierp het in een fontein was klaar,
een fontein was diep van gronde:
‘leg daar jou lagchende monde!
10Leg hier, leg daar, jou lagchende mond!
gij hebt mij gekost zoo veel duizend pond
en zoo meningen penning rood goude:
uw hoofdje is al afgehouwen.’
Holländisch: De vrolyke Oost-indies-vaarder, Amsterd. VolksLB., vgl. Le Jeune bl. 292.—Ein offenbar altes Lied, das aber im Laufe der Zeit, da es sich nur mündlich fortpflanzte, gänzlich verdorben und deshalb unklar geworden ist. Auch dem entsprechenden hochdeutschen Liede ist es nicht besser ergangen, s. den Text bei Nicolai, Almanach 2. Jahrg. Nr. 21, und die aus mündlicher Ueberlieferung geschöpften neuen Lesarten, sowol bei Erk, Liederhort Nr. 28. als Wunderhorn, Neue Ausgabe 1, 39–41 haben ihm nicht aufzuhelfen vermocht.
¶ 1, 4. klemmen, gellen, s. Kiliaen ed. Hasselt 1, 299.