← Table of contents
Niederländische Volkslieder

Der Reiter und schön Elschen.

Reading edition

1‘Wat mag daar wezen, wat mag daar zijn,

dat al de bladren verdorret zijn?’

2‘O moeder! ik bender geen maget rein,

ik draag bij den ruiter een kind zoo klein.’

3‘Draagt gij bij den ruiter zoo kleinen kind,

zoo ziet dat gij daar den vader van vindt.’

4‘Ik zie daar den vader voor mij staan,

en ik derf daar niet een oog op slaan.’

5‘Derft gij daar niet een oog op slaan?

gij dorst daar wel mede te bedde gaan!’

6‘O moeder! het geschiede bij nacht,

het was zoo donker dat niemand zag.’

7De landsknecht achter de deure stond,

hij hoorde des ouden wijfs valsche grond.

8‘Zoete liefje! woudt gij met mij rijden

of wilt gij bij uw vrouw moeder blijven?’

9‘Bij mijn vrouw moeder en blijf ik niet,

liever met den ruiter in zwaar verdriet.’

10De landsknecht had ze lief en waard,

hij zette mooi Elsje voor hem op ’t paard.

11Doe hij dat smalle pad ten halven kwam,

groote arbeid kwam mooi Elsje an.

12‘Zoet lief! wilt gij wat zachter rijden!

ik krijg zulke pijn al in mijn zijde.’

13De ruiter stak zijn paard met sporen

of hij mooi Elsje niet en hoorde.

14Doe hij dat smalle pad ten einde kwam,

zwaare arbeid kwam mooi Elsje an.

15‘En is hier niet een huisje dan,

daar ik een weinig in rusten kan?’

16De ruiter ging daar een huisje maken

van distelen, doornen en hooge staken.

17Al in dat huisje was venster noch deur,

de ruiter hing daer zijn mantel veur.

18‘Zoet liefje! wilt gij wat van mij treden!

maar als ik ween, komt gij dan weder!’

19Eer dat zij weende was ’t meisje dood,

doe was de ruiter in grooten nood.

20De ruiter lei er zijn hoofd op een steen,

van rouwe brak er zijn hart aen tween.

Holländisch: Het Speelschuitje met vrolijke Naay-Meisjes, Amst. 1780. (Willems Nr. 231).—Dr. 7, 2. dat oude wijfs.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings