VRIJ.
Reading edition
Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer spraakzaam.
—Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een mensch den ander bewijzen kan—wilt gij mij dat beloven?
—Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur.
Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken.
—Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens.
—Ja, heer.
—Ik heb uw vader gekend.
Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu berichten van huis krijgen.
Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius.
Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen.
—Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.—Luistert gij?
—Ik luister.
—De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem hem van mijn vinger.
Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek.
—Steek hem nu aan je eigen vinger.
Ben-Hur gehoorzaamde.
—Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen?
—Volkomen.
—Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden.
—Neen, edele tribuun, ik ben een Israëliet.
—Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht uw antwoord. Beloof het mij.
—Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt.
—Zult gij het mij dan beloven?
—Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.—O tribuun, gezegend zij de God mijner vaderen! daar komt een galei.
—Uit welken hoek?
—Uit het noorden.
—Kunt gij haar nationaliteit herkennen?
—Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten.
—Heeft zij een vlag in top?
—Ik kan er geen zien, het is nog te ver af.
Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de galei nog koers hierheen?
—Ja.
—Kunt gij nu de vlag onderscheiden?
—Zij heeft geen vlag.
—Een ander kenteeken soms?
—Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al wat ik er van zeggen kan.
—Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet dooden. Ik daarentegen—
De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het doen zult.
—Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,—hij trok hem van zijn vinger,—neem hem terug,—met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt, en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben een zoon van Israël, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den ring terug.
Arrius verroerde zich niet.
—Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke verplichting.
Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem vallen en zinken, maar zag niet op.
—Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden? Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast. Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u.
Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch berouwde zij hem niet.
—In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de eerste die mij vriendelijkheid bewees.—Neen, neen, er was nog een ander!
Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had gegeven.
—Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven. Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden. Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreër, wiens wetten een Jood gehoorzamen moet.
—Maar mijn verzoek. Hebt....
—Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen.
Beiden zwegen en wachtten.
Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten oogen, schijnbaar onverschillig.
—Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde Ben-Hur.
—Ik vermoed het, luidde het antwoord.
—Zij houdt stil en zet een boot uit.
—Kunt gij nu de vlag zien?
—Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen kan?
—Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast.
—Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm.
Nog was Arrius er niet gerust op.
—De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen wel niet zoo medelijdend zijn.
—Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen opgevischt had.
Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste nauwlettendheid.
—De galei gaat verder, zeide hij.
—Waarheen?
—Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord.
Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei. Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden. Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de roovers mag ontsnappen.
Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op.
Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des overwinnaars niet weinig verhoogde.
Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te roeren. Toen hij zijn verhaal geëindigd had riep hij Ben-Hur tot zich, vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen, zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe vriendschap te doen deelen.
Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen. Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het gebouw was versierd met militaire tropeeën, waaronder de voorstevens der twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken. Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir.