MALLUCHS RAPPORT.
Reading edition
Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den berg Sulpius, en twee derden van Antiochië's inwoners zochten op de platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk.
—Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten toefden.
—Zou hij nog komen? vraagde Esther.
—Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde Simonides beslist.
—Hij zou kunnen schrijven.
—Als hij vèr weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal.
—Ik hoop het, zeide zij zacht.
Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen, als hij kwam?
—Ja vader.
—Waarom? vertel mij dat eens.
—Omdat ... omdat de jonge man....
—Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther?
—Ja vader.
—En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen, dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen: welslagen.
Zij antwoordde niet.
—Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind, ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen doorstaan kan worden, als men er maar eerst vóór staat, zelfs het ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten. En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel, u, bloempje van mijn gestorven Rachel.
Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold haarzelve, de tweede hare moeder.
—Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven.
—Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te wachten hebben.
—Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u, voortreffelijkste der dochters.
Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van den jongen man te vertellen?
Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord vertellen.
—Dank, hartelijk dank, Malluch, gij hebt uitstekend gehouden, zeide hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot welk volk meent gij dat hij behoort?
—Tot het volk van Israël, meester, tot den stam van Juda.
—Weet gij het zeker?
—Zeer zeker.
—Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben.
—Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de Castaliabron werd hij vertrouwelijk.
—Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen?
—Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar het graf gaan met onze dooden—hij ging zijn kommer begraven.
—Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld? Met Romeinsche of Joodsche munten?
—Neen, meester.
—Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u zeker wel een en ander aangeboden?
—Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent waren.
—Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer is?
—Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch.
—Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien opzichte bij hem opgemerkt?
—Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was.
—Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides.
—Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden.
—Zoo ... en dan?
—De zoon van Arrius zal winnen.
—Hoe weet gij dat?
Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt.
—Naar dat alleen?
—Neen, ook naar den geest, die hem bezielt.
—Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart? Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt.
Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende.
—Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israëliet houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren Koning der Joden zochten.
—Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch!
—Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te verdelgen.—Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft?
Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed, Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus verschijnen.
Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin en opgewekt te zijn.
—Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier.
Het meisje gehoorzaamde.
—Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk. Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven.
Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij het tegenwoordige wilde bepalen.
—De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren! Heilige vaders van Israël, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o! en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn er nog!
Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen, van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij, onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg voert ons tot roem en wraak.
Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,—hij herinnerde zich dat hij tegen eene vrouw sprak.
—Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind, terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zóó weg te kunnen vliegen.
Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader, laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan.
—Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer? Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil. Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende, omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten gaan, waarom niet, kind?
—Het is geen plaats voor een zoon van Israël, vader.
—Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles?
Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden.
—De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben?
Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan.
—Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid maakt zwak.
Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader, ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn; daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders dochter ben.
—Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan worden.
Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings, terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld sliep.