← Table of contents
Ben-Hur

EENE OPROEPING.

Reading edition

De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur. De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte, en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen.

Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden als hijzelf, maar wat wist hij daarvan?

Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden.

Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea daarentegen—dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen.

In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen van het vierspan.

Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel, en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen het vierspan toe, en zij verstonden hem.

Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie, die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig. Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor hem.

—Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u.

Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later waren beide mannen op weg naar Antiochië.

Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard in en zeide: Hier moeten wij zijn!

Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik?

—Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord.

Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom!

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings