OVERDENKINGEN.
Reading edition
Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot rust gekomen waren.
De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats.
Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde. Indien het wonder zich eens herhaalde—en wel aan hem? Hij vreesde, nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning.
Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne gedachten.
Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken.
Vóór alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te schudden was een heilige, bezielende plicht.
Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn? De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht; hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist. Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israël in staat zou zijn, om geheel alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar, helaas! dat was onmogelijk, tenzij—en hoelang had hij niet over die mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het Macedonië van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten. En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag.
Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist óf de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord —de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den held, de wereld onder de wapenen!
Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te brengen, opdat Israël gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake aanbrak.
Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven vernomen. Was hij voldaan?
Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem—de schaduw der onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning.
Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde Ben-Hur zichzelven gedurig.
—Hoe zal dat koninkrijk zijn?
Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een heerschappij van onbeschrijfelijken luister.
Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig voorkwamen?
—Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten. De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld van wapenen,... maar door wat dan?
Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht, die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend. Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld.
Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder.
—Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, één woordje en dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht.
—Ik luister, Sheik.
—Wat de dingen aangaat, die gij zooëven gehoord hebt, zeide Ilderim, geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed man uit Antiochië, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal—koning zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u!
Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik zeker niet ter schole gaan!—Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ... een vrouwenstem. Het komt hierheen.
Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig.
Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht. Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij heerlijk! En wat was zij schoon!
Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig—kinderlijker en zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk.
—Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is mij gezonden.
Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug.
In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit?
Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens.
En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen!
Wie van de twee zal het zijn?