← Table of contents
Ben-Hur

DE AFRIT.

Reading edition

Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten, geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken hun verlies of winst.

Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot.

Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen hadden bij den hoofdingang tegenover den consul.

Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther, verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen.

Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt bestreken touw dwars over de arena, vóór den eersten eindpaal. Terwijl zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen fluisteren en wijzen.

—Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener.

—En Messala is in nummer twee.

—De Corinthiër ...!

—O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een.

—Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee.

—O ja, gij hebt gelijk.

Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde.

—Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther.

—Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden naam.

—Hij is schoon als Apollo, hernam Iras.

—Zou hij dan zóóveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther.

Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,—en begrijpende, dat zij over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig smeekgebed tot God omhoog.

Nu voegde Sanballat zich bij hen.

—Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden zich in den besten welstand.

Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard: Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan Messala zal zijn.

—Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een tafeltje.

Simonides nam het en las het memorandum met aandacht.

—In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was, dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed. Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij—O mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden het ons ook doen.

—Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat.

—Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides.

—'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf wordt jong Rome te overmoedig.

De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena, klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk uitstekje zes houten dolfijnen.

—Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar.

—Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond?

—Neen, dit is de eerste maal.

—Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een visch weggenomen.

De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten.

De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde.

—Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart naar Ben-Hur uitzag.

Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen opengeworpen.

Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal, want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid.

Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang over gesproken hadden.

—Daar is hij! riep Iras en wees op Messala.

—Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren.

De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig achter zich hebben.

De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag, wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen.

Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos op den uitslag.

De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden. Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant.

Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt en scheen een botsing onvermijdelijk.

De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest vereischt. Eén blik ter zijde en het was gedaan.

De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg, toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit.

—Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten zichzelven van vreugde.

Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich.

—Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon.

—Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen zij Messala vooruit zagen schieten.

De zoo ongelukkig opgehouden Athener had nu alleen nog den Corinthiër aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen.

Voort vlogen de Corinthiër, de Byzantijner, de Sidoniër. Sanballat zag naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden.

—Honderd sestertiën op den Jood! riep hij.

—Aangenomen! antwoordde Drusus.

—Nog eens honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat weder.

Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe: Messala! Messala! Jupiter met ons!

Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met den Romein samen op één lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen: de Sidoniër, de Corinthiër, en de Byzantijner. De wedren was in vollen gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings