← Table of contents
Ben-Hur

GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD.

Reading edition

's Morgens na de bacchanaliën in de zaal van het paleis lagen de jonge patriciërs hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren.

Eén maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest beëindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen verlaten.

Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien maatregel.

De inhoud was als volgt:

Messala groet Gratus.

Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe belangstelling in hooge mate zal opwekken.

Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor den geest zal kunnen brengen.

Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven—mogen ter wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit blijkt een ongeluk geweest te zijn!—tot straf dan werd het geheele gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig was als wijs,—mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn! —behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan, gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat mij werd toegewezen.

Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken personen.

Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus, om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.

Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem opnam.

Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!

Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die uitgebreide familie in de armen moeten vallen.

In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting jegens u te willen verkleinen.

Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde, bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik, mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie zou het weten, als gij het niet weet?

Zegt gij tot dit alles: o-ho?

Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum van een galeislaaf droeg.

Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was, dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft, in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt; wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en—ik noem 't het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst moest genoemd worden—voor zijn verloren fortuin.

En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking nemende, dat uwe sestertiën in gevaar verkeeren, wier verlies het ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.

Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat, dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en bondig uw oordeel uit te spreken.

Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche wereld.

Ik zal uw antwoord afwachten.

Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester, den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een onherbergzaam, woest oord.

Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.

Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden: tijd, plaats en middelen.

Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel!

XII. Kal. Jul. Antiochië.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings