ONSTERFELIJKHEID.
Reading edition
De koele atmosfeer, de schoone bloemen, de sabbatsstilte, alleen verbroken door het zachte ruischen van het water en het gonzen der insecten, brachten den Egyptenaar in een opgewekte stemming.
—Toen wij u inhaalden, zoon van Hur, zeide hij, was uw gelaat naar Jeruzalem gekeerd. Mag ik u vragen of dat het doel uwer reis is?
—Ja, ik ben op weg naar de Heilige Stad.
—Wij ook, en daar ik mijne krachten sparen moet wensch ik er zoo spoedig mogelijk te zijn. Kunt gij mij ook zeggen, of er een korter weg is, dan die over Rabbath Ammon?
—Ik ga over Gerasa, en Rabbath Gilead, dat is veel korter, maar ook vermoeiender.
—Ik verlang naar het einde van de reis, zeide Balthasar. In den laatsten tijd droomde ik telkens denzelfden droom. Herhaaldelijk hoorde ik een stem, die mij toeriep: Haast u, maak u op! Hij, dien gij zoolang verwacht hebt, staat te komen.
—Gij bedoelt hem, die de koning der Joden zal worden? vraagde Ben-Hur verbaasd.
—Juist.
—Hebt gij dus nog niets van hem gehoord?
—Niets, behalve die woorden van mijn droom.
—Ziehier dan een tijding, die u zal verheugen.
Uit de plooien van zijn gewaad haalde Ben-Hur den brief van Malluch te voorschijn. Balthasar strekte er de hand naar uit en las hem hardop. Toen hief hij zijne oogen dankend op naar den hemel. Hij deed geen vragen, maar twijfelde ook niet.
—Hoe goed zijt gij voor mij geweest, o God, zeide hij. Vergun mij, bid ik u, den Messias te zien, opdat ik hem moge aanbidden, en laat uw dienstknecht heengaan in vrede.
De eenvoudige, vertrouwelijke bede maakte diepen indruk op Ben-Hur. Nooit had hij zoo Gods tegenwoordigheid gevoeld. Het was hem, alsof God hier persoonlijk bij hem was, een vriend, wien zij alles konden vragen, een vader, die al zijne kinderen evenzeer liefhad, een vader voor den zoon van Israël, zoowel als voor den heiden, een vader voor allen, wien allen naderen mochten zonder tusschenkomst van priesters of leeraars. De gedachte, dat zulk een God de menschheid een Verlosser zou kunnen zenden in plaats van een koning, kwam hem niet meer zoo vreemd voor, de vraag kwam zelfs bij hem op, of het niet veel meer overeenkomstig was met het wezen Gods. Daarom zeide hij: Denkt gij nu nog dat hij als Verlosser zal optreden en niet als koning?
—Wat zal ik daarop zeggen? antwoordde Balthasar. De geest, die mij weleer geleidde, is mij niet meer verschenen sinds ik u ontmoette in de tent van den goeden Sheik; ten minste niet op de vroegere wijze. Maar ik geloof dat die geest nu in mijne droomen tot mij spreekt. Een andere openbaring heb ik niet.
—Ja maar, zeide Ben-Hur, gij dacht dat hij een koning zou zijn, hoewel niet als de vorsten der aarde. Gij dacht dat zijne heerschappij geestelijk zou zijn, niet van deze wereld.
—O ja, luidde het antwoord, en dat geloof ik nog. Ik zie dat er verschil is in onze verwachting. Gij gaat om een koning van menschen te ontmoeten, ik ga om een behouder van zielen te zien.
Hij hield even op, alsof hij naar de juiste woorden zocht om zijne meening duidelijk te maken.
—Laat mij trachten, zoon van Hur, u een juist begrip te geven van mijn geloof. Als ik u gezegd zal hebben waarom de geestelijke heerschappij, die hij zal uitoefenen, in ieder opzicht uitnemender is, dan enkel koninklijke pracht, zult gij mij beter begrijpen. Ik kan niet met zekerheid zeggen wanneer het denkbeeld, dat ieder mensch eene ziel heeft, ontstaan is. Waarschijnlijk brachten de eerste menschen het mede uit den hof in Eden. Dat het nooit geheel verloren ging weten wij allen. Waarom zou ieder mensch eene ziel hebben? Laat ons daar eens even bij stilstaan. Zich neder te leggen en te sterven, op te houden te bestaan werd nooit door eenig mensch begeerd. Allen zonder onderscheid zullen in het diepst hunner ziel wel op iets beters gehoopt hebben. De monumenten der volken zijn zoovele protesten tegen de vernietiging na den dood, evenzoo hunne standbeelden en opschriften, evenzoo de geschiedenis. De grootste onzer Egyptische koningen liet zijne beeltenis in een rots uithouwen. Dagelijks ging hij er met zijn gevolg heen om het werk te zien. Eindelijk was het gereed, de gelijkenis was treffend. Mogen wij ons nu niet voorstellen, dat hij, voor dat kunstwerk staande, gedacht heeft: Laat de dood vrij komen, ik leef in de toekomst voort!... Hij heeft zijn wensch gehad. Het beeld staat er nog.
Maar waar bestaat het voortleven in, dat hij zich dus verzekerde? Alleen in de herinnering der menschen—een roem, vergankelijk als het schijnsel der maan op het groote beeld. En wat is intusschen van den koning geworden? In de koninklijke graven ligt een gebalsemd lichaam, dat eenmaal het zijne was. Maar waar, zoon van Hur, is de koning zelf? Is hij in het niet verzonken? Tweeduizend jaren zijn verloopen sedert hij op deze aarde leefde, als gij en ik. Was met zijn laatste ademtocht alles voor hem afgedaan? Zeggen wij ja, dan brengen wij eene beschuldiging in tegen God. Wij nemen daarom een beter en werkelijk leven na den dood aan, iets wat meer is dan een voortleven in de herinnering. Daarom gaf God ons bij de geboorte eene ziel, die onsterfelijk is. Denk nu eens aan het genot, dat in de gedachte ligt: Wij hebben een ziel. Deze gedachte ontneemt den dood zijne verschrikking, door het sterven te maken tot een verandering voor beter, en het begraven tot het zaaien van een zaad, waaruit een nieuw leven zal ontspruiten. Zie mij, oude man, aan, verzwakt naar het lichaam. Weldra zal het graf mij ontvangen, maar dan ook openen zich voor mij de onzichtbare deuren van Gods heerlijk huis, om mij, dat is mijne bevrijde onsterfelijke ziel, op te nemen. O, had ik woorden om dat heerlijke leven te schetsen! Zeg niets, dat ik er niets met zekerheid van weet. Dit weet ik, en dat is mij genoeg: een ziel te bezitten sluit in deel te hebben aan een goddelijke eigenschap. Zulk een verloste ziel heeft niets meer met het stof, met het onreine te maken; zij leeft in volkomen reinheid. Zal ik, dit geloovende, dan nog met mijzelven of met u gaan redeneeren over de bijomstandigheden? Over den vorm van mijne ziel, of over de behoefte aan spijs en drank, of hoe mijne ziel bekleed zal zijn? Neen, dat laat ik gerust aan God over. Het schoone in deze wereld komt alles uit zijne hand. Hij bekleedt de lelie, Hij geeft de roos haar kleurenpracht, Hij roept den dauwdroppel te voorschijn. De harmonie in de natuur is door Hem ontstaan. Hij maakt ons voor dit leven geschikt en stelde zijne voorwaarden vast. Zij zijn van dien aard, dat ik met volle gerustheid mijne ziel en het leven na den dood in zijne handen stel. Ik weet dat Hij mij liefheeft.
Balthasar zweeg. Ben-Hur, ja zelfs Iras, was aangedaan. Voor den eerste ging een licht op. Hij begon in te zien, dat een geestelijk koningschap voor de menschheid van nog grooter belang kon zijn, dan een aardsch koninkrijk, en dat een Verlosser, meer dan de machtigste koning, een Gode waardige gave zou zijn.
Na eenigen tijd verbrak Balthasar het stilzwijgen en zeide: Het wordt tijd dat wij opbreken en onze reis vervolgen. Ik brand van verlangen om hem te zien, die mijne gedachten geheel vervult. Laat dat verlangen mijne verontschuldiging zijn, zoon van Hur, als ik u tot spoed aanzet.
Terwijl de Ethiopiër alles weer opbergde bracht de Arabische gids de paarden voor, en weldra was het gezelschap op weg om de karavaan in te halen, die hen naar alle waarschijnlijkheid reeds vooruit gekomen was.