← Table of contents
Ben-Hur

PLANNEN VAN WRAAK.

Reading edition

In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag.

Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid komen?

In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die zich weer om den priester en de bron verzameld had.

—Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten?

Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij: Neen; nooit. Als hij een Israëliet is, nooit! Mijn eerste les in de synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt.

Ben-Hurs oogen fonkelden.

—Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug, en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen kan.

Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed. Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster, en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.—Op zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft, liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch, hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven. Hij weet óf zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet waar hare beenderen rusten.

—En zou hij het niet willen zeggen?

—Neen.

—Waarom niet?

—Ik ben een Jood, en hij is een Romein.

—Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken.

—Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim. Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld.

Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend?

—Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als dood beschouwd.

—Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch hartstochtelijk.

—Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen.

—Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda. Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een eed bevestigen.

—Geef mij uw hand, dat is voldoende.

Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur: Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan.

Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim?

—Ja.

—Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier?

Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge kameel brengt er u in een uur.

—Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek? en wanneer zullen zij plaats vinden?

Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid.

—O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochië weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochië zich bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk.

—En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die ná den circus Maximus de beste is.

—Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk.

—Zijn de wetten dezelfde?

Malluch glimlachte. Als Antiochië beproeven wilde oorspronkelijk te zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op één punt: dáár mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te zamen, onverschillig hoeveel.

—Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur.

—Ja, Antiochië is meer Grieksch, dan Romeinsch.

—En mag men zijn eigen wagen kiezen?

—Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij.

—Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden?

—Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul. Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten.

—De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israël! Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat Messala meedoet?

Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israëliet moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij: Hebt gij er meer aan gedaan?

—Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het strijdperk wilde voeren.

—En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig.

—Ik ben een Israëliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het niet zijn om den prijs te behalen.

—Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertiën, een vermogen op zichzelf.

—Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters. Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij zeker dat Messala meedoet?

—Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt hij zich oefenen.

—Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst? Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn.

—Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn wij er in een uur.

—Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur.

Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar het beroemde Palmbosch.

TIENDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings