BEN-HURS MEDELIJDEN.
Reading edition
Ongeveer een uur later kwamen Ben-Hur en Iras te zamen in de groote zaal, waar zij Balthasar, Simonides en Esther reeds bijeen vonden. Nadat de jonkman Balthasar gegroet had keerde hij zich tot Simonides, maar bleef, Esther ziende, verbaasd staan. Dat zij zich tot zulk een volmaakte schoonheid ontwikkelen zou had hij drie jaren geleden niet gedacht. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide: Vrede zij u, lieftallige Esther, en u, Simonides. De zegen des Heeren zij uw deel, al was het alleen omdat gij een vader voor den vaderlooze geweest zijt.
—Wees welkom in uw vaders huis, zeide Simonides hartelijk. Zet u neder, en vertel ons van uwe reizen en van uw werk en van den leeraar uit Nazareth. Ga toch zitten, bid ik u, dan luisteren wij allen.
—Ja, antwoordde Ben-Hur, ik heb u veel van hem te vertellen. Ik heb hem gedurende verscheidene dagen nauwlettend gadegeslagen. Ik heb hem in moeilijke, zeer moeilijke omstandigheden gezien, en moet getuigen dat hij, hoewel hij een mensch is als ik, toch ook meer dan een mensch is.
Hier werd hij gestoord door het binnentreden van eene dienstmaagd. Hij keek om en riep blijde: Daar is Amrah! Goede, lieve Amrah!
De trouwe dienstmaagd kuste zijne handen, en op zijne vraag: Hebt ge nog niets van haar gehoord, niets? sprongen haar de tranen in de oogen.
—Gods wil geschiede! zeide hij treurig.
Na een oogenblik van stilte, waarin hij zijne aandoening meester trachtte te worden, zeide hij: Ga zitten, Amrah,—hier. Niet? Dan aan mijne voeten, want ik heb mijne vrienden veel te vertellen van den Nazarener. Ik zal beginnen met u te verhalen wat ik hem heb zien doen. Morgen komt hij in de stad om op te gaan naar den Tempel, dien hij zijn vaders huis noemt en waar hij, zooals algemeen verwacht wordt, den beslissenden stap zal doen. Morgen zullen wij dus zien wie gelijk heeft, gij, Balthasar, of Simonides.
Balthasar wreef zich in de handen en vraagde: Waar zal ik hem kunnen zien?
—Het gedrang zal groot zijn, antwoordde de jonkman. Ik denk dat gij niet beter doen kunt, dan met u allen naar het dak van den Voorhof van Salomo te gaan.
—Kunt gij ons begeleiden?
—Neen, mijne vrienden zullen mij noodig hebben bij den optocht.
—Optocht! riep Simonides. Komt hij dan met gevolg?
—Dat niet precies. Hij heeft twaalf mannen bij zich, allen uit den minderen stand. Zij reizen te voet, onverschillig voor wind, regen, of zonneschijn. Als zij vermoeid zijn zetten zij zich aan den weg neder om te rusten, en doen aan alles eerder denken, dan aan edellieden en vorsten. Slechts wanneer de leeraar het hoofd ontbloot ziet men dat hij de aanvoerder is, hun leermeester, hun meerdere, maar tevens hun vriend. Maar wat zoudt gij zeggen van een man, die rijk kon zijn door de steenen aan den weg in goud te veranderen, en die toch arm is uit vrije keus?
—De Grieken zouden hem een philosoof noemen, zeide Iras.
—Neen, dochter, antwoordde Balthasar, de philosofen hadden nooit de macht om zoo iets te doen.
—Hoe weet gij, dat deze mensch die macht wel heeft?
—Ik heb hem water in wijn zien veranderen, zeide Ben-Hur.
—Hoe wonderlijk! riep Simonides. Maar dat schijnt mij nog niet zoo vreemd toe als dat hij arm wil leven, terwijl hij rijk zou kunnen zijn. Is hij werkelijk zoo arm?
—Hij bezit niets, en benijdt niemand zijn rijkdom. Hij beklaagt veeleer de rijken. Dat echter daargelaten, wat zegt gij hiervan: ik zag hem zeven brooden en twee visschen vermenigvuldigen tot een voorraad zóó groot, dat er spijs was voor vijfduizend menschen en er nog manden vol overbleven. Dat heb ik den Nazarener zien doen.
—Hebt gij hem dat zien doen?
—Ja, en ik heb meegegeten van den visch en van het brood. Maar nog wonderlijker dingen heb ik gezien. Wat dunkt u van iemand die zoo groote genezende kracht bezit, dat de zieken slechts den zoom van zijn kleed behoeven aan te raken, om gezond te worden, ja dat het zelfs voldoende is van verre tot hem te roepen? Dat heb ik meer dan eens bijgewoond. Toen wij uit Jericho kwamen riepen twee blinden tot hem om hulp, hij raakte hunne oogen aan en zij konden zien. Een anderen keer brachten zij een verlamde tot hem en hij zeide alleen: Ga heen naar uw huis,—en ik zag den man gezond wegwandelen. Wat zegt gij daar wel van?
Simonides kon geen woorden vinden.
—Sommigen zeiden, dat dit duivelskunsten waren, gelooft gij dat soms ook? Ik zal u nog grooter dingen vertellen, die ik hem ook heb zien doen. Denk aan die vreeselijke ziekte, waarvan alleen de dood verlossen kan: de melaatschheid.
Hier werd Amrah onrustig en luisterde met gespannen aandacht.
—Ja, vervolgde Ben-Hur met toenemenden ernst, ja, luistert naar wat ik nu ga vertellen. Toen ik met hem in Galilea was kwam een melaatsche tot hem en riep: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen!—Hij hoorde de smeekbede, raakte den verworpeling aan met de hand en zeide: Ik wil, word gereinigd.—En terstond was hij geheel gezond, zoo gezond als wij allen. Een anderen keer kwamen tien melaatschen tot hem en vielen voor hem neer, roepende: Meester, meester, ontferm u over ons!—Ik was er bij en hoorde hem antwoorden: Gaat heen, en vertoont uzelven den priester.
—En waren zij beter?
—Ja, zij waren nog niet lang op weg, of de ziekte was geheel van hen geweken.
—Nog nooit heb ik van zulke dingen gehoord; nog nooit, zeide Simonides zacht.
Het gezelschap verviel na deze mededeelingen in diep stilzwijgen. Ongemerkt stond Amrah op en verwijderde zich onhoorbaar.
—Gij kunt begrijpen, dat al die dingen een diepen indruk op mij gemaakt hebben, zeide Ben-Hur, doch mijne twijfelingen en verbazing zouden nog grooter worden. Mijne Galileërs begonnen langzamerhand ongeduldig te worden, het zwaard brandde hun in de handen, en zij verlangden niets liever dan handelend te mogen optreden. Ik zelf werd ook ongeduldig, want alles was gereed. Daarom wilden wij hem openlijk, desnoods met geweld, tot koning kronen, maar hij verdween uit ons midden. Toen wij hem weer zagen was het in een scheepje op het meer. Wat anderen bekoort: rijkdom, macht, koninklijke eer, dat alles laat hem onbewogen. Wat dunkt u daarvan, Simonides?
Simonides antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij:
—De Heer leeft, evenzoo het woord zijner profeten. Laat ons geduld oefenen.
—Zoo zij het, beaamde Balthasar.
—Ik heb nog meer te vertellen, vervolgde Ben-Hur, nog grootere dingen. Wij waren op weg naar Naïn. Vlak bij de poort kwamen wij een begrafenisstoet tegen. De Nazarener bleef staan om de treurenden te laten voorbijgaan. Eene vrouw volgde bitter schreiende. Ik zag dat hij door medelijden bewogen werd. Hij trad op haar toe, en sprak haar aan. De dragers stonden stil, hij raakte de baar aan en zeide tot den doode: Jongeling, ik zeg u sta op!—En terstond zat de doode overeind en sprak.
—God alleen heeft zoo groote macht! riep Balthasar.
—Alles wat ik u vertel, heb ik zelf gezien, zeide Ben-Hur, en ik kan u nog meer verhalen. In Bethanië was een van zijne vrienden gestorven, Lazarus geheeten. Reeds had hij vier dagen in het graf gelegen toen de Nazarener er bij kwam. Hij liet den steen wegnemen, en wij allen zagen het lijk liggen, dat reeds overging tot ontbinding. Met luide stem hoorde ik hem roepen: Lazarus, kom uit!—Ik kan u niet zeggen wat ik gevoelde, toen de doode, aan die stem gehoorzamend, zich oprichtte en tot ons kwam, in grafdoeken gewikkeld. Ontbindt hem, zeide de Nazarener, en laat hem gaan. En toen de hoofddoek van hem was weggenomen, had zijn gelaat weer de gewone kleur, en was hij volkomen dezelfde als voor zijne ziekte. Hij leeft nog en ontvangt vele bezoeken. Als gij wilt kunt gij er morgen naar toe gaan, en uzelven overtuigen. Maar nu vraag ik u: Wat moet ik denken van dezen man? Is hij niet meer dan een gewoon mensch?
De toon waarop hij dit vraagde was zeer ernstig, en nog lang na middernacht zat het gezelschap bijeen, om de zaak van alle kanten te bezien, want Simonides kon zijne opvatting van de voorspellingen der profeten niet laten varen, terwijl Ben-Hur beweerde dat Balthasar en Simonides beiden gelijk hadden: de Nazarener was ongetwijfeld de Verlosser, zooals de eerste meende, maar ook de toekomstige koning, waarvoor de laatste hem hield.
—Wij zullen het morgen gewaar worden. Vrede zij met u allen. Met deze woorden nam Ben-Hur afscheid.