DE CIRCUS.
Reading edition
De circus te Antiochië stond op den zuidelijken oever der rivier, tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang.
Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht, ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen.
Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en etende door.
De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween, was Antiochië letterlijk leeggeloopen.
Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den circus binnentrok.
Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan. Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken optocht zullen binnenkomen.
Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd, vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit.
De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet.
De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt, en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners.
Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel. De buitenlieden: Syriërs, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien zegepralen. De burgers van Antiochië en de Romeinen rekenen er op den Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken zijn verdeeld tusschen den Corinthiër en den Athener. De steden Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd.
Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala! Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn strijd met Messala.