ERKEND.
Reading edition
Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther.
Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat verlangde men van hem?
Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen.
De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding en groet konden niet worden misverstaan.
—Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen.
Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te stellen.
Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther: Een zetel voor den meester, mijn kind!
Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker waar hem te plaatsen.
Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier wil ik zitten.
Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid begrepen.
Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide: Geef mij nu de papieren, Esther.
Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die haren vader.
—Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende, heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen?
Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim.
—Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij voor u zijn.
Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd.
Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden, maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede.
Simonides nam de rol weder tot zich.
—Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over, opdat zij niet verward raken.
Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen.
—Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke som gelds ik voor uwen vader beheerde,—het kapitaal dat ik uit de handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome, Alexandrië, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120 talenten.
Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten, zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording.
Aan schepen 60 talenten.
" goederen in voorraad 110 "
" cargo's in transport 75 "
" pakhuizen 10 "
" kameelen, paarden, enz. 20 "
" in te vorderen gelden 54 "
" los geld 224 "
553 talenten.
Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken.
Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van één weder op en bood ze Ben-Hur aan.
De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel van een wèlvolbrachten arbeid.
—En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen kunt.
Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig.
Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zóó lang dat hij mij eindeloos toescheen, en zóó donker dat ik alle hoop had opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij, Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook!
Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen, huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides, terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd.
Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van aandoening. Simonides alleen bleef kalm.
—Met ééne uitzondering echter en op ééne voorwaarde, hernam Ben-Hur. De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben. Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin beschikbaar stelt, evenals ik het mijne.
Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zóó tot mij gezonden heeft. Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een blad. Neem het en lees. Lees overluid.
Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur, ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen:
1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem. 2. Simonides, rentmeester te Antiochië. 3. Esther, des rentmeesters dochter.
Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld, kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij, schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen?
—Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht, omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor draagt nog het litteeken van den priem.
—Deed mijn vader dat?
—Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet worden, tenzij ik werd wat zij was.
—Was zij dan eene lijfeigene?
—Ja.
Ben-Hur liep, zijne onmacht diep gevoelende, de kamer op en neer. Ik was reeds rijk, zeide hij, dank de goedheid van den edelen Arrius. Nu komt dit vorstelijk vermogen er bij benevens de geest, die het verzamelde. Heeft God daar niet een bedoeling mee? Raad mij, Simonides. Doe mij zien wat recht is in dezen. Help mij mijn naam waardig te zijn.
Simonides' gelaat straalde van geluk.
—O zoon mijns meesters, ik zal meer doen dan u helpen. Ik zal u dienen met hart en ziel. Mijn lichaam is, helaas, te gronde gericht in uwen dienst, maar met mijn verstand en hart wil ik u dienen. Stel mij daarom wettig aan tot datgene, wat ik mijzelven gemaakt heb.
—Spreek! riep Ben-Hur blijde.
—Benoem mij tot rentmeester van uw vermogen, opdat ik het recht hebbe om er voor te zorgen.
—Gaarne. Beschouw u van dit oogenblik als mijn rentmeester. Of wilt gij het schriftelijk hebben?
—Uw woord is mij genoeg. Zoo was het met den vader, zoo zij het met den zoon. En nu, indien wij elkander goed begrepen hebben....
—Ik voor mij, ja, zeide Ben-Hur.
—En gij, dochter van Rachel, spreek! zeide Simonides. Een oogenblik stond Esther besluiteloos. Toen trad zij op Ben-Hur toe en zeide onbeschrijfelijk lieftallig: Ik ben niet beter dan mijne moeder, en daar zij is heengegaan, bid ik u, laat mij voor mijnen vader mogen zorgen.
Ben-Hur nam haar bij de hand, geleidde haar naar haren vader en zeide: Gij zijt een goede dochter. Uw wensch zal geschieden.