← Table of contents
Ben-Hur

ESTHER EN IRAS.

Reading edition

—Esther! laat mij een beker water brengen!

—Wilt gij niet liever wijn hebben, vader?

—Beide dan.

Dit gesprek had plaats in het zomerhuis op het platte dak van het paleis der familie Hur te Jeruzalem, en terwijl Esther zich haastte om aan den wensch van haren vader te voldoen, kwam een bediende de trap op en overhandigde haar een verzegeld pakje.

De lezer moet weten, dat het nu 21 Maart is volgens onze tijdrekening, ongeveer drie jaren na de aankondiging van den Christus te Bethabara. Malluch had voor Ben-Hur, die het verval der ouderlijke woning niet langer kon aanzien, het huis gekocht van Pilatus, en het geheel laten opknappen en verfraaien, zoodat er niets overbleef, dat het droevig tooneel van vroeger kon herinneren. Men meene echter niet dat Ben-Hur openlijk als de eigenaar was opgetreden. Hij meende dat het uur daartoe nog niet geslagen was, evenmin als voor het dragen van zijn vaders naam. Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij door met in Galilea alles voor te bereiden, opdat hij gereed mocht zijn, als de Nazarener hem noodig zou hebben, de Nazarener, die hem dagelijks onbegrijpelijker toescheen, en hem door de wonderen, die hij deed, in een staat van spanning en twijfel hield, zoowel aangaande zijn karakter, als aangaande zijne zending. Enkele malen kwam hij op naar Jeruzalem, en vertoefde dan in het ouderlijke huis, echter altijd als vreemdeling en gast.

Deze bezoeken waren echter niet alleen om uit te rusten van den arbeid. Balthasar en Iras woonden mede in het paleis, en de bekoorlijkheid der dochter hield hem nog steeds gevangen, terwijl haar vader, hoewel naar het lichaam verzwakt, hem wist te boeien door vurige betoogen over de goddelijkheid van hem, die het land doorging goed doende.

Wat Simonides en Esther betreft, zij waren eerst een drietal dagen geleden uit Antiochië herwaarts gekomen. De reis was zeer vermoeiend geweest voor den koopman, doch eenmaal hier gevoelde hij zich uitermate gelukkig, dat hij weer in zijn vaderland was. Het grootste gedeelte van den dag bracht hij door op het platte dak. Hier zag hij de zon opgaan en ondergaan, hier bracht de wind hem van over de heuvelen nieuwe levenskracht aan.

Daarom vergat hij echter de zaken niet, o neen. Elken dag ontving hij bericht van Sanballat, die het kantoor in Antiochië waarnam, en elken dag zond hij Sanballat de noodige aanwijzingen, zóó uitvoerig, dat zelfs een oningewijde moeilijk zou hebben kunnen dwalen.

Esther ging intusschen naar haar zomerhuisje terug met het pakje in de hand. Zij bezag het zegel, herkende het voor dat van Ben-Hur, en versnelde met blozend gelaat haren stap. Simonides bekeek eveneens het zegel alvorens het pakje te openen, reikte haar toen den brief toe, die er in was, zeggende: Lees, mijn kind.

Hij zag haar aan, terwijl hij sprak, en zijn gelaat betrok.

—Ik zie dat gij reeds weet van wien dit komt, Esther.

—Ja, vader. Van onzen jongen meester.

Hoewel zij langzaam, als met moeite sprak, zagen hare lieve oogen hem trouwhartig aan.

—Gij hebt hem lief, Esther.

—Ja, vader.

—Hebt ge er over nagedacht wat dat zeggen wil?

—Ja, vader. Ik heb mijn best gedaan om niet anders aan hem te denken, dan als aan den meester, dien ik toebehoor. Het heeft mij echter niet veel geholpen.

—Goed kind! Gij lijkt op uwe moeder, Esther. God vergeve mij, maar uwe liefde zou misschien niet ijdel geweest zijn, als ik behouden had wat ik had, zooals ik had kunnen doen. Geld is macht.

—Dan zou ik er veel slechter aan toe zijn, vader. Dan zou ik niet waard zijn, dat hij mij aanzag, en kon ik niet trotsch zijn op u. Zal ik u nu den brief voorlezen?

—Wacht nog even, kind. Om uw zelfswil moet ik u het ergste zeggen. 't Is misschien minder zwaar voor u, als wij het samen onder de oogen zien. Hij heeft een ander lief, mijn kind.

—Ik weet het, zeide zij ernstig.

—De Egyptische heeft hem in hare netten gevangen, vervolgde hij. Zij is zeer geslepen en daarenboven schoon, maar zij heeft geen hart. De dochter, die haren vader veracht, zal haren echtgenoot ongelukkig maken.

—Veracht zij haar vader?

—Ja. Haar vader is een wijs man, en, voor een heiden, op bijzondere wijze begenadigd. Zijn geloof strekt hem tot eer, maar zij lacht er mee. Gisteren hoorde ik haar zeggen: De dwaasheden der jeugd zijn vergefelijk. Den ouderdom betaamt wijsheid. Heeft een grijsaard die verloren, dan wordt het tijd dat hij sterft.—Dat zeide zij met het oog op haren vader. Wreede woorden, die men uit den mond van een Romein kon verwachten. Gij, mijn kind, zult, wat er ook van mij worde, nooit zeggen: het wordt tijd dat hij sterft. Neen, want uwe moeder was eene dochter Israëls.

Met tranen in de oogen kuste zij zijne hand en zeide: En ik ben het kind van mijne moeder.

—Ach, mijn kind, hernam haar vader na een kort zwijgen, als hij eenmaal de Egyptische getrouwd heeft, zal hij met wroeging aan u terug denken, want dan zal hij bemerken, dat zij hem slechts gebruiken zal om hare eerzucht te dienen. Rome is het middelpunt van hare droomen. Voor haar is hij de zoon van Arrius den duumvir, niet de zoon van Hur, vorst van Jeruzalem.

—Red hem, vader, smeekte zij, red hem, het is nog niet te laat.

Met een twijfelachtig lachje antwoordde hij: Een verdrinkende laat zich redden, een verliefde niet.

—U hebt toch invloed op hem. Hij staat zoo alleen in de wereld! Toon hem het gevaar, waarin hij verkeert. Zeg hem hoe gevaarlijk de Egyptische is!

—Dat zou hem uit hare handen kunnen redden, maar zou het hem aan u geven? Ach neen. Ik zou toch niet kunnen zeggen: mijne dochter heeft u lief....

—Maar vader, viel zij hem in de rede, dat bedoel ik immers niet! Ik dacht alleen aan hem, niet aan mijzelve. Zal ik u nu den brief voorlezen?

—Ja, doe dat.

Zij begon dadelijk, blijde dat zij dit onderwerp kon laten rusten.

Nisan, den 8sten dag.

Op den weg van Galilea naar Jeruzalem.

De Nazarener bevindt zich ook op dezen weg. Zonder dat hij het weet volg ik met een legioen. Een tweede legioen volgt ons op korten afstand. Het Paaschfeest is de dekmantel voor het groote getal Galileërs. Toen de Nazarener zich op weg begaf zeide hij: Wij gaan op naar Jeruzalem en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen wat geschreven is door de profeten.

Ons wachten spoedt ten einde. Vrede zij u, Simonides.

In haast.

BEN-HUR.

Esther gaf den brief aan haren vader terug. Het kostte haar moeite hare tranen te bedwingen. In den brief stond geen enkel woord aan haar, zelfs aan den groet had zij geen deel. En hoe gemakkelijk had hij kunnen schrijven: Vrede zij u en de uwen. Voor het eerst in haar leven gevoelde zij den prikkel der ijverzucht.

—Den achtsten dag, zeide Simonides, en wat hebben wij vandaag?

—Den negenden, antwoordde Esther.

—Zoo, dan zijn zij nu wellicht te Bethanië.

—Dan zullen wij hem dus misschien van avond zien, zeide zij.

—Best mogelijk, want morgen is het feest der ongezuurde brooden, en hij zal het willen vieren, evenals de Nazarener. Misschien zullen wij hen beiden zien, Esther.

Het gesprek werd afgebroken door de komst van den bediende met wijn en water, en even daarna kwam ook Iras boven.

Nog nooit had Esther de Egyptische zoo schoon gezien als hedenavond. Als in een wolk van gaas gehuld, voorhoofd, hals en armen met juweelen versierd, zweefde zij naderbij. Een glans van genoegen lag op haar gelaat. Esther drong zich onwillekeurig dichter tegen haar vader aan.

—Vrede zij u, Simonides, en u, lieftallige Esther, zeide Iras. Gij herinnert mij, goede vriend, als ik het zeggen mag zonder u te beleedigen, de priesters in Perzië, die 's avonds op het dak van hunne tempels stijgen, om de ondergaande zon hunne gebeden na te zenden. Als die godsdienst u misschien niet bekend is, wil ik mijnen vader roepen, om u in te lichten. Hij stamt van de Magiërs af.

—Schoone Egyptische, antwoordde de koopman ernstig, uw vader is een goed man, die het mij niet kwalijk zal nemen, als ik u zeg, dat zijne Perzische wetenschap het minste deel van zijne wijsheid uitmaakt.

Iras fronste de wenkbrauwen. Om ook philosophisch te spreken, zeide zij, bij minste behoort meeste. Mag ik vragen, wat het grootste deel is van die zeldzame eigenschap, wijsheid, die gij hem toeschrijft?

Simonides zag haar doordringend aan. De ware wijsheid, zeide hij, streeft omhoog naar God, de hoogste wijsheid is de kennis van God, en van allen, die ik ken, bezit niemand die in zoo hooge mate, als mijn goede vriend Balthasar.

Om een eind aan het gesprek te maken dronk hij langzaam zijn beker leeg. Iras keerde zich ontstemd tot Esther, zeggende: Een man, die millioenen bezit en geheele vloten op zee heeft, kan niet begrijpen wat vrouwen vermaakt. Kom, ga met mij naar de borstwering, dan kunnen wij ongestoord praten.

Esther deed wat haar verzocht werd en zij gingen naar dezelfde plek, waar jaren geleden Ben-Hur met zijn zuster gestaan had, om naar de soldaten te kijken.

—Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde zij.

—Neen.

—Hebt gij nooit verlangd er heen te gaan?

—Neen.

—Och, wat hebt gij nog weinig van het leven genoten! riep zij meewarig, maar 't volgende oogenblik lachte zij luid en zeide: O, mijn lief onnoozel duifje, de vogeltjes, die hun nestje bouwen in het oor van de sphinx bij Memphis, zijn al even wijs, als gij!

Ziende dat Esther verlegen werd, vervolgde zij op vertrouwelijken toon: Vergeef het mij, ik zeide het maar uit gekheid. Laat ik een pleistertje leggen op de wond, en u vertellen wat ik aan niemand anders zou vertellen.

Zij lachte vriendelijk, maar zag Esther tegelijkertijd onderzoekend aan en zeide: De koning komt.

Esther zag verwonderd op.

—De Nazarener, vervolgde Iras, over wien uw vader en de mijne het zoo druk hebben, voor wien Ben-Hur al die moeite doet. De Nazarener komt morgen in de stad, en Ben-Hur komt van avond.

Esther trachtte zich goed te houden, maar het gelukte haar niet. Iras bracht lachend een brief uit haar gordel te voorschijn en zeide: Hier heb ik zijn belofte. Luister!

Daar weerklonken haastige stappen in de straat. Zij boog zich over den rand der borstwering om te zien, en sloeg in blijde verrukking de handen in elkaar. Gezegend zij Isis! riep zij, hij is het! Ben-Hur in eigen persoon! Dat is een goed voorteeken! Hij komt terwijl ik aan hem denk! Kom, Esther, geef mij een kus!

Fier hief het Joodsche meisje het hoofd op. Hare wangen gloeiden, hare oogen fonkelden. Haar zacht gemoed was diep gegriefd. Voor haar zelfs geen groet in zijn schrijven aan Simonides, en deze Egyptische had een eigenhandig geschreven brief van hem! Zij vraagde: hebt gij hemzelf lief, of hebt gij Rome nog liever?

Iras ging een stap achteruit, en vraagde scherp: Wat gaat u dat aan, dochter van Simonides?

Esther begon bevend: Hij is mijn....

Zij had willen zeggen: mijn meester, maar zij veranderde dit snel in: mijn vaders vriend.

—Niets meer? Nu, gij moogt uw kussen houden. Andere en betere wachten mij.

Zij keerde zich af, om weg te gaan, maar fluisterde nog even over haar schouder: Ik ga ze halen!

Esther zag haar na en barstte in tranen uit, tranen van schaamte en gekwetste liefde.

Reeds fonkelden de sterren aan den nachtelijken hemel, voordat zij hare zelfbeheersching teruggekregen had, en kalm genoeg was om naar haar vader terug te gaan, en hare plaats aan zijne zijde in te nemen. Dat was haar plicht, daar moest zij haar leven aan wijden, en om der waarheid getrouw te zijn, nu de hartstochtelijkheid harer droefheid voorbij was, nam zij blijmoedig hare taak weer op.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings