IN DE VAL.
Reading edition
Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd.
Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem. Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij voelde zich gelukkig en droomerig gestemd.
Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde.
Vóór zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaïekvloer stelde mythologische onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels, gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen, schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn, dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum.
Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaïeken op den grond, maar zij boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn.
Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos, zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken.
Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem meester, en hij bleef besluiteloos staan.
Wie in Antiochië kon hem kwaad willen doen?
Messala!
En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor hem van gedaante. Het was een val.
Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en wierp zich op een divan om na te denken.
't Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel? En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden wonderen doen verrichten.
Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen; maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen. Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte.
Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn!
Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die gesproken werd, kende hij niet.
Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles. Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling kwamen.
Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden. Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig samentreffen, deze twee zochten hem.
De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de hand van den Noor te sterven.
Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen straffen, de God van Israël, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven? Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen?
Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de toekomst af.
Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren, keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op Ben-Hur. Beiden traden op hem toe.
—Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn.
De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren.
—Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en antwoordt.
Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij?
—Een Romein.
De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een Romein werd.
Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn makker en stapte vooruit.
—Halt! riep Ben-Hur. Nog iets!
—Spreek; maar gauw, zeide de reus.
—Gij zijt Thor, de Noorman.
De man zette groote oogen op.
—Gij waart schermmeester te Rome.
—Ja, zeide Thor.
—Ik was uw leerling.
—Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken.
—Ik zal het u bewijzen.
—Hoe dan?
—Gij komt hier om mij te dooden.
—Ja.
—Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn lichaam.
De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het teeken geef.
Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide: Ziezoo, begin.
Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste.
De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn.
Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen—dat alles was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood.
Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan.
—Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen verbeteren.
Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij zijt geen Jood. Wie zijt gij?
—Gij hebt Arrius, den duumvir gekend?
—Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon.
—Hij had een zoon.
—Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op. Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen lauwerkrans mee behaald.
—Ik ben die zoon van Arrius.
Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou bewijzen, als ik dien Jood doodde.
—Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende.
—Hij, Messala.
—Wanneer?
—Gisteravond.
—En ik dacht dat hij zwaar gewond was?
—Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar hij lag te kermen van pijn.
Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen? De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem iets in.
—Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden?
—Duizend sestertiën.
—Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er nog drieduizend bij doen.
De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den Romein duizend, dat is zesduizend.—Geef mij vierduizend, goede Arrius, vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar op zijn mond te houden ... zoo.
Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te drukken.
—Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertiën is een mooie som. Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen. Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar?
—Ja, men zou zeggen twee appelen van één boom.
—Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken. Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertiën.
Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertiën zoo gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten! Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome, vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want, bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder bevat.
Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen.
Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten. Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de taveerne van Thor te bezoeken!
Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om zijne moeder en zuster te zoeken.
Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide tot aan de trap.
—Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de paarden.
—Dit is het uwe, zeide de Arabier.
Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het hart van den ouden man het geschenk vergezelde.
Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar.
Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met het opschrift:
THOR DE NOORMAN.