DE MELAATSCHEN.
Reading edition
Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.
Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden platten grond als cel VI aangegeven staat.
De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn.
Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI, omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet alleen opsluiten—hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien.
Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen, zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangenbewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven.
Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar, opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven, veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht!
Treden wij de cel binnen.
De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit God.
Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft is er hoop voor ons!
Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur. De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te drinken hebben gehad?
Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk.
—Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed.
—Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd. Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden?
Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk.
—Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet. Een oogenblik later was hij verdwenen.
—Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn zoo veranderd.
—'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te pijnlijk.
—Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar één droppel.
De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier zijn.
Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten gedurende al die jaren had plaats gehad.
Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar?
Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal!
Zij antwoordde luide: Een Israëlitische vrouw, die hier levend begraven is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven.
—Houd moed. Ik kom dadelijk terug.
Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger, dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe.
Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende. De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der vrijheid brak eindelijk aan.
De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet het schijnsel der toortsen.
—O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch gevonden!
Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te laten.
Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij!
Ontzet zagen zij elkander aan.
—Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek.
Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd, dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch.
Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen—uit de verte reeds moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!—Een wezen, dat zichzelf tot afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten.
Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit.
Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat ééne woord bij zichzelve herhalende: melaatsch, melaatsch.
Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de wereld, scheen vergeten te hebben.
Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch, werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de bloedvaten en de beenderen aantasten—en zoo kon het vele jaren al erger en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen.
Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn.
Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven vast. Eén band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst geleden hadden, weder moed kwam inspreken.
De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed, riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende.
Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien akeligen kreet uit: Onrein! Onrein!
Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude, gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen: Onrein!—De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen: Onrein!
De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan.
—Wie zijt gij? vraagde hij.
—Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet!
—Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet.
—In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten, bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons!
De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar zijns ondanks gelooven en beklagen.
—Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken zenden.
—En kleeren, en waschwater, bid ik u.
—Het zal geschieden.
—God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn!
—Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel!
Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en verwijderden zich toen zoo snel mogelijk.
Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in.
De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen?