← Table of contents
Ben-Hur

SIMONIDES.

Reading edition

Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur. Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw!

Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte.

—Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel. Luister! Zooëven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan, slank, schoon, als Israëliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem, en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u voort!

De man groette en ging heen.

Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte.

—Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij lachend, Esther.

Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen dag kon vergeten!

Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker, zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij. Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.) Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag zien herleven!

Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten?

—Zoo was het toen de jonkman binnenkwam.

—Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen.

Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther alleen.

Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en merkte het ternauwernood op.

Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching teruggegeven.

—Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te zien dat gij voor hem gewonnen waart.

Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk.

—In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur?

—Als hij het niet is....

—Nu, wat dan, kind?

—Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer zoo goed de rol van waarheid en recht spelen.

—Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord. Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was?

—Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was.

—Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw gemoed zich tot den God Israëls zou keeren, als het riet naar de zon. Ik ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij naar zijn magazijn in Alexandrië, waar ik meerderjarig werd. Ik diende hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij.

Esther klapte in de handen.

—O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene!

—Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet. Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij.

—En mijne moeder? vraagde Esther.

—Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis. Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren, maar thans als een gehuurde zoon van Israël. Hij droeg mij de leiding op van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind, maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven. Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief, maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar, Esther, zie maar.

Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge het litteeken van den priem?

—Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad!

—Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters, voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne?

Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos.

—Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam, vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne, hier in Antiochië, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther. Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester.

Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem, om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij, toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer, ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn.

Esthers oogen stonden vol tranen.

—Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God, dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten: vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder. Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk, te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik, door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde. Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende, maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon handel te drijven op naam van Simonides van Antiochië, zooals ik dat vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden, geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou kunnen leven.

Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij lazen elkanders gedachten.

—Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak aanziende.

—Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet aangemeld?

Zijn oog bleef vast op het hare gericht.

—Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten?

—Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in toekomstige tijden zich verblijden?

Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het grootste bewijs van zijne gunst.

Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk.

—Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij was en mijn zwoegen geëindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd....

Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik, de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof, dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken was.

Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg; zal hij terugkomen?

—Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als ik gereed ben.

—En wanneer zal dat wezen, vader?

—Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog één wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon is.

—Zijne moeder?

—Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep Abimelech.

Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings