← Table of contents
Ben-Hur

DAPHNE'S PARK.

Reading edition

Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor.

Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen: Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug.

—Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag, die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater. Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten, sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u beschermen!

Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort.

Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden. Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke prieëlen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen, die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen.

In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit, daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen. Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde Park, verrees voor zijn oog.

Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen. Eén blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag.

Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen, doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Vóór hem, links, voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing.

Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar toe?

Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde: Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden. Wij willen ons door hen laten leiden.

—Maar als wij eens verdwaalden?

—Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden.

—Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld.

—Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan, dan zal ik u toonen wat ik bedoel.

Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren.

De menigte maakte ruim baan, want daar kwamen zij aan, de ongelukkigen, waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Eén ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen waren.

—Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man.

—Wie zijn dat? vraagde zij.

—Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan?

Het volgend oogenblik was het paar verdwenen.

Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet.

Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek en profetie.

Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter een tweede processie van lieden, die geschenken brachten.

—Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo.

ZESDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings