TERUGKEER.
Reading edition
Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen, beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij een luchtig, ruim gewaad.
Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was.
Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef.
Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad Gods.
Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen, den blik op de stad zijner vaderen gevestigd.
De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond.
De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne plaats aangesteld was.
Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van zijne macht beroofd, en vertrokken—waarom zou hij dan het zoeken naar moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de omstandigheden laten leiden.
Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden, en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en behoedzaam was.
Vóór alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen. Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende haar lot.
In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan.
De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde. Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen.