← Table of contents
Ben-Hur

OP HET MEER.

Reading edition

—Iras, de dochter van Balthasar, zendt mij met een groet en een boodschap, zeide een bediende tot Ben-Hur, die het zich in de tent gemakkelijk had gemaakt.

—Geef mij de boodschap.

—Zij vraagt of gij haar bij een roeitochtje op het meer zoudt willen vergezellen?

—Ik zal zelf het antwoord brengen. Zeg haar dat.

Hij kleedde zich haastig en was binnen weinige oogenblikken gereed, om zich naar de schoone Egyptische te begeven.

De avond begon reeds te vallen. De bergen wierpen hunne schaduw over het Palmbosch. In de verte hoorde men het getjingel van de belletjes der schapen, het loeien van het vee, en de stemmen der herders, die de kudden huiswaarts dreven. Sheik Ilderim had ook de middagoefeningen bijgewoond, daarna was hij naar de stad gegaan, ingevolge de uitnoodiging van Simonides. Het was mogelijk dat hij vóór den nacht terugkwam, maar niet waarschijnlijk. Ben-Hur was dus alleen en vrij om te gaan spelevaren op het meer.

Aan de kleine trap van de aanlegplaats gekomen bleef hij op de bovenste trede staan, getroffen door hetgeen hij zag. Daar lag op het spiegelgladde water een sierlijke, ranke boot. Een Ethiopiër, de kameeldrijver, dien wij reeds bij de Castaliabron gezien hebben, zat op de roeiersbank. Zijn gitzwarte huid stak sterk af tegen het sneeuwwit zijner kleeding. De achtersteven van het bootje was met kussens en tapijten van Tyrische roode stof belegd. De Egyptische zat aan het roer, als weggezonken in doorzichtige sluiers en Indische sjaals. Hare onberispelijk schoon gevormde armen waren onbedekt, schouders en hals door een dunnen zijden doek tegen de avondlucht beveiligd. Als Ben-Hur den indruk, dien de schoone Iras op hem maakte, onder woorden had moeten brengen, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben met de woorden van den koninklijken zanger: Uwe lippen zijn gelijk een scharlaken rooden draad; uwe slapen zijn gelijk een stuk granaatappel in uwe lokken. Sta op, mijne liefste, mijne schoone, kom hierheen; want zie! de winter is voorbij gegaan, de regentijd is over; de bloemen ontluiken op de aarde; de tijd der zangvogels is gekomen, en de stem der tortelduiven wordt in het land gehoord....

—Kom, zeide zij, ziende dat hij staan bleef. Kom, of ik zou denken dat gij een slecht zeeman zijt.

Hij werd verlegen. Wist zij iets van zijn leven op zee? Hij daalde snel naar beneden en zette zich op de ledige plaats tegenover haar.

—Ik was bang voor....

—Waarvoor?

—Dat ik de boot zou doen zinken, antwoordde hij glimlachend.

—Wacht daarmee totdat wij in dieper vaarwater zijn, zeide zij, en gaf den Ethiopiër een wenk om van wal te steken.

Indien Ben-Hur wars van alle zachtere gevoelens geweest was, dan zou hij het nu toch hard te verantwoorden hebben gehad. De Egyptische was zoo gezeten, dat hij haar altijd zien moest, haar, die hij reeds in zijne gedachten met Sulamith vergeleken had. Met die stralende oogen op hem gericht zou hij de sterren, indien zij wegbleven, niet eens missen. De nacht mocht zijn donkeren sluier over het aardrijk uitspreiden, haar blik zou hem tot eene verlichting zijn. En voorts, dat de verbeelding nooit vrijer haar spel kan spelen, dan wanneer men jong van hart in aangenaam gezelschap zachtkens voortglijdt over het water op een zoelen zomeravond en onder liefelijk stargeflonker—wie zal het ontkennen? Het is zoo gemakkelijk alsdan onmerkbaar uit het alledaagsche in het ideale over te gaan.

—Geef mij het roer, zeide hij.

—Neen, antwoordde zij, dat ware de verhouding omkeeren. Verzocht ik u niet met mij te gaan varen? Ik sta bij u in de schuld en wensch met de betaling te beginnen. Gij moogt spreken en ik zal luisteren, of ik zal spreken en gij zult luisteren. De keuze is aan u; maar ik zal bepalen waarheen wij gaan.

—En waarheen dan?

—Alweer bang?

—O schoone Egyptische, ik deed u slechts de eerste vraag van iederen gevangene.

—Noem mij Egypte.

—ik zou u liever Iras noemen.

—Onder dien naam moogt gij aan mij denken, maar noem mij liever Egypte.

—Egypte is een land.

—Ja, ja, en welk een land!

—Ha! wij varen dus naar Egypte!

—Was dàt waar! Wat zou ik blijde zijn, zeide zij met een zucht.

—Gij geeft dus niets om mij?

—O, nu zie ik, dat gij er nooit geweest zijt.

—Neen, nooit.

—Egypte is het land waar geen ongelukkigen zijn, het heerlijkste land van de gansche aarde, de moeder van al de goden, en daarom bovenmate gezegend. Daar, zoon van Arrius, daar ontvangt de gelukkige steeds vermeerdering van geluk, terwijl de ellendigen, al drinken zij slechts eenmaal van het water der heilige rivier, lachen en juichen, als kinderen zoo blij.

—Zijn de armen daar dan anders dan overal elders?

—De armsten in Egypte hebben de minste behoeften. Zij verlangen alleen genoeg te hebben; verder gaan hunne wenschen niet. En hoe weinig dat is, kan een Griek of Romein niet beseffen.

—Maar ik ben noch Griek noch Romein.

Iras lachte.

—Ik heb een tuin vol rozen, zeide zij. In het midden staat een boom, die alle andere in rijkdom van bloei overtreft. Waar denkt gij, dat hij vandaan kwam?

—Uit Perzië, het vaderland der rozen.

—Neen.

—Uit Indië dan.

—Neen.

—Dan van een der Grieksche eilanden.

—Ik zal het u vertellen, zeide zij. Een reiziger vond hem, kwijnende aan den weg op de vlakte van Rephaïm.

—O, in Juda!

—Ik plantte hem in den pas door den Nijl overstroomden bodem. De zuidenwindjes speelden door zijne takken en kweekten hem op, de zon kuste hem vol medelijden ... toen kon het niet anders, of hij moest groeien en bloeien. Nu sta ik in zijne schaduw en beloont hij mij door zijn liefelijke geuren voor de moeite, die ik mij voor hem gegeven heb. Zoo de rozen, zoo ook de mannen van Israël. Waar zullen zij tot volmaaktheid komen, anders dan in Egypte?

—Mozes was slechts één uit millioenen.

—Neen, er was een droomenuitlegger. Vergeet gij dien?

—De vriendelijke Pharao's zijn dood.

—O ja, de rivier, aan wier oever zij woonden, zingt hun een slaaplied toe in hunne graven. Nochtans schijnt dezelfde zon over hetzelfde volk.

—Alexandrië is een Romeinsche stad.

—Zij heeft slechts van schepter verwisseld. Cesar ontnam haar dien van het zwaard, en gaf haar in ruil dien van de wetenschap. Ga met mij naar het Brucheium en ik zal u de wijsheid der volken toonen; naar het Serapeion en gij aanschouwt het volmaakte in de bouwkunde; naar de Bibliotheek, en gij kunt de onsterfelijken lezen; naar den Schouwburg, waar de helden der Grieken en Hindoe's voor u ten tooneele worden gevoerd; naar de kade, waar gij den handel in zijn glorie kunt zien. Doorwandel de straten met mij, zoon van Arrius, als de avond gedaald is, en gij zult de verhalen hooren, die de menschen sedert onheugelijke tijden vermaakt hebben, en de liederen, die nimmer, nimmer zullen sterven.

Onder het luisteren werd Ben-Hur in gedachten teruggevoerd naar dien laatsten avond in het ouderlijk huis te Jeruzalem, toen zijne moeder met niet minder geestdrift over Israëls verdwenen grootheid gesproken had.

—Nu begrijp ik waarom gij wildet, dat ik u Egypte zou noemen. Wilt gij mij een lied zingen, als ik u bij dien naam noem? Ik heb u gisteravond beluisterd.

—Dat was een lofzang aan den Nijl, antwoordde zij, een klaagzang, dien ik aanhef, als ik mij verbeeld den adem der woestijnen te ruiken, en den golfslag van den dierbaren ouden stroom te hooren. Laat ik u liever iets geven in Indiaanschen trant. Als wij in Alexandrië komen, zal ik u brengen naar den hoek der straat, waar gij het eene dochter van de Ganges kunt hooren zingen.

En met een stem, zoo liefelijk, dat ook de ongevoeligste naar haar zou hebben moeten luisteren, zong Iras haar lied.

Toen zij beëindigd had en Ben-Hur haar zijnen dank wilde betuigen, schuurde de boot over het zand en liep op den oever.

—Dat is een korte reis naar Egypte! riep de jonkman.

—En een nog korter oponthoud! antwoordde zij, toen de Ethiopiër met een krachtigen stoot het vaartuig weeder vlot maakte.

—Nu zult gij mij toch het roer geven.

—O neen, zeide zij lachende. Voor u de wagen, voor mij de boot. Wij zijn aan den uithoek van het meer. Ik zie wel dat ik niet te gelijk sturen en zingen moet. Daar wij in Egypte geweest zijn, willen wij nu naar het Park van Daphne gaan.

—En geen liedje om den weg te korten? vraagde hij smeekend.

—Vertel mij iets van den Romein, tegen wien gij vandaag zoo flink optrad, vraagde zij.

Die vraag deed Ben-Hur onaangenaam aan.

—Ik wenschte dat dit de Nijl was, zeide hij ontwijkend. De koningen en koninginnen, die zoolang geslapen hebben, moesten uit hunne graven komen en met ons varen.

—Zij behoorden tot de kolossen en zouden onze boot doen zinken. De dwergen zouden verkieslijker zijn. Maar vertel mij nu iets van den Romein. Hij is een slecht mensch, niet waar?

—Dat kan ik u niet zeggen.

—Stamt hij uit een adellijk geslacht, en is hij rijk?

—Ik kan niet over zijn rijkdom oordeelen.

—Wat had hij mooie paarden! En zijn wagen! Het binnenste was verguld en de wielen waren van ivoor. En wat is hij vermetel! Het volk lachte toen hij wegreed, en hij had ze toch bijna overreden.

Zij lachte bij de herinnering.

—Ja, wat een volk! zeide Ben-Hur bitter.

—Hij behoort zeker tot de monsters, die in Rome opgroeien—Apollo's, roofgierig als Cerberus. Woont hij in Antiochië?

—Misschien wel.

—Egypte zou hem beter lijken dan Syrië.

—Bezwaarlijk, antwoordde Ben-Hur. Cleopatra is dood.

Op dat oogenblik kregen zij de brandende lampen voor de deur der tent in 't gezicht.

—De dowar! riep Iras.

—Dus zijn wij niet in Egypte geweest. Ik heb Karnak, noch Philae, noch Abydos gezien. Dit is niet de Nijl. Ik heb slechts een lied uit Indië gehoord en ben in den droom uit spelevaren geweest.

—Philae, Karnak. Betreur liever dat gij Ramses te Aboo Simbul niet gezien hebt. Als men daar naar kijkt valt het zoo gemakkelijk aan God te denken, den Schepper van hemel en aarde. Maar waarom zoudt gij treuren? Laat ons de rivier opvaren, en al kan ik dan niet zingen, omdat ik gezegd heb, dat ik het niet meer doen zou, ik kan u toch van Egypte vertellen.

—Ja, doe dat. Ga voort totdat de morgen aanbreekt en de avond en de volgende morgen! zeide Ben-Hur hartstochtelijk.

—Waarover zal ik vertellen? Over de wiskunstenaars?

—O neen.

—Over de wijsgeren?

—Neen, neen.

—Over de toovenaars en sterrenwichelaars?

—Dat zou kunnen.

—Over den oorlog?

—Ja.

—Over de liefde?

—Ja.

—Ik zal u een middel tegen de liefde aan de hand doen. Het is de geschiedenis van een koningin. Luister aandachtig. De papyrusrol, waaraan het verhaal ontleend werd, is aan de hand der heldin zelve ontwrongen. Het moet een ware gebeurtenis zijn.

NENEHOFRA

Vele honderden jaren geleden woonde te Essouan een meisje, zoo bekoorlijk, dat de natuur zelve zich over haar verheugde. Als zij voorbijging klapwiekten de vogeltjes om haar te begroeten, hieven de witte lotusbloemen zich op uit het water om haar te aanschouwen, vertraagde de stroom zijnen loop, wuifden de palmen hunne pluimen. Zij schenen te zeggen, de een: ik deelde haar mee van mijn vroolijkheid; de ander: ik van mijne reinheid; een derde: ik van mijne bevalligheid.

Op twaalfjarigen leeftijd was Nenehofra het sieraad van Essouan. Toen zij zestien was, sprak men door het gansche land over hare schoonheid, en toen zij twintig was ging er geen dag voorbij, die niet vorsten der woestijn op snelle kemelen en aanzienlijke Egyptenaren in vergulde barken voor hare deur bracht. Die allen echter gingen ongetroost heen en vertelden overal: Ik heb haar gezien. Dat is geen sterflijke vrouw, maar Hathor zelve.

De koning van het land was de grijze Oretes. Hij had den leeftijd van hondertien jaren bereikt. Zesenenzeventig jaren had hij over Egypte geregeerd. Onder zijn verstandig bestuur waren land en volk tot groote welvaart gekomen. Hij woonde te Memphis, waar hij zijn schoonste paleis en arsenalen had. De vrouw van den goeden koning stierf. Daar hij haar zeer had liefgehad treurde en weeklaagde hij over haar en was ontroostbaar. Een hoveling, die dat opmerkte, waagde op zekeren dag tot hem te zeggen: Koning Oretes, het verwondert mij dat iemand, zoo wijs en groot, niet zou weten hoe men een droefheid als deze kan genezen. Zeg mij hoe, zeide de koning. De hoveling kuste driemaal den grond en antwoordde, wel wetende dat de doode hem niet kon hooren: Te Essouan woont Nenehofra, zoo schoon als de schoone Hathor zelve. Ontbied haar. Zij heeft alle vorsten afgewezen, en ik weet niet hoevele koningen; maar wie kan neen zeggen tot Oretes?

Nenehofra zakte met een talrijk gevolg den Nijl af naar Memphis. Toen de koning haar zag deed hij haar naast zich zitten op zijnen troon, deed den uraeus om haren arm, kuste haar, en maakte haar tot koningin. Dat was den wijzen Oretes niet genoeg. Hij smachtte naar liefde, en verlangde een koningin, die hem gelukkig gevoelde in zijne liefde. Hij behandelde haar met groote tederheid, toonde haar al wat hij bezat, leidde haar door zijne schatkameren en zeide: O Nenehofra, geef mij één kus uit liefde en dit alles is het uwe.

Denkende dat zij mettertijd gelukkig zou zijn,—was zij het al niet reeds?—kuste zij hem twee-, driemaal in weerwil van zijne honderden jaren.

In het eerste jaar voelde zij zich gelukkig, en dat vloog om. In het derde jaar was zij rampzalig, en het kroop voorbij. Toen gingen haar de oogen open: wat zij voor liefde had aangezien was machtsbegoocheling geweest. Ach, had die begoocheling mogen voortduren!

Zij werd droefgeestig. Zij stortte vele tranen. Haar lach verstomde. De rozen op haar wangen verbleekten. Zij kwijnde langzaam maar zeker weg. Geen middelen baatten, noch van toovenaars, noch van geneesheeren. Nenehofra werd als hopeloos opgegeven.

Oretes koos een crypt voor haar uit in de graven der koninginnen, en riep de voornaamste beeldhouwers en schilders naar Memphis, om de crypt zoo prachtig mogelijk te versieren.

—O gij, schoon als Hathor zelf, mijn koningin! zeide Oretes, zeg mij, bid ik u, wat u deert, want ik zie u voor mijne oogen wegsterven.

—Gij zoudt mij niet meer liefhebben, als ik het u zeide, luidde haar antwoord.

—U niet liefhebben? Ik zal er u te liever om hebben. IK zweer het bij het oog van Osiris. Spreek!

—Nu dan, zeide zij. In een spelonk bij Essouan woont een anachoreet, de oudste en heiligste van allen. Zijn naam is Menopha. Hij was mijn leermeester. Hij zal u zeggen wat gij verlangt te weten, en u het middel aan de hand doen om mij te genezen. Ontbied hem.

—Spreek, zeide Oretes tot Menopha in het paleis te Memphis. En Menopha antwoordde: Machtige koning, als gij nog jong waart zou ik niet antwoorden, omdat mijn leven mij nog lief is. Nu echter wil ik u zeggen dat de koningin de straf voor eene misdaad draagt.

—Een misdaad! riep Oretes toornig.

—Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft zij.

—Waar is de zoon van dien tuinier?

—In Essouan.

De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling, genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der koningin.

En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland, dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.

Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om Barbec gezonden.

Nenehofra kuste zijne handen.

—Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u storen, een geheel jaar lang.

Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare lippen.

Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar het paleis te Memphis terug.

—Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.

Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning, want ik ben genezen.

Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.

—Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde wordt door liefde genezen.

—Zoo is het, zeide zij.

Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was vreeselijk om te zien.

—Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.

Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.

—Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man, aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den koning, aangedaan, moet gestraft worden.

Zij wierp zich voor zijne voeten.

—Stil! zeide hij. Gij zijt dood.

Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen, parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne afschuwelijke kunst in de hand.

De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.

Nenehofra, de schoone, werd na tweeënzeventig dagen naar de crypt gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.

Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd: Menopha had ongelijk.

—Hoezoo?

—Liefde leeft door lief te hebben.

—Dan zou er dus geen middel tegen zijn?

—Jawel. Oretes heeft het gevonden.

—Welk dan?

—De dood.

—Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius.

Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij. Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de stad.

—Maar gij komt bij de wedrennen?

—Zeker.

—Ik zal u mijne kleur zenden.

Daarmee scheidden zij.

VIERDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings