← Table of contents
Ben-Hur

DE WEDDENSCHAPPEN.

Reading edition

Den avond voor de feesten heerschte in Antiochië groote drukte. Een dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen.

Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het tooneel.

Eéne bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden: groen, wit, en rood met goud.

Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het paleis op het eiland.

De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan, zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren, en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen verwedden wil tegen Messala.

Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt! Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En, bovenal, hij is immers een Romein!

Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over den dag van morgen.

Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe!

—Waar zijt gij geweest? vraagde Messala.

—Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in den circus ongenaakbaar zijn.

—Hebt gij ook iets bijzonders gezien?

—Neen.

—Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten.

't Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier. Maar ... hahaha!

—Ga voort, zeide Messala. Wat verder?

—Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat was alles.

—Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te worden, maar ik niet alzoo.

—Welnu, spreek gij dan.

—Wel, wij hielden den troep staande, en—

—En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja. Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zóó lachen, 't was zoo gek, hahaha!

Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;—welke mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte.

—En wat deed Drusus? vraagde Messala.

—Natuurlijk bedankte hij voor de eer.

Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn. Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen.

Hierheen, hierheen! riepen sommigen.

De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring, die zich om den vreemdeling gevormd had.

—Ik bied u....

En ik....

—Ik ... schreeuwden zij door elkander.

De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had. Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij tot het verkrijgen van de gewenschte stilte.

—Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij.

—Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij?

—Een Jood—Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken vangen.

Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen.

—Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend, dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst kansen, daarna de som.

Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen.

—Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich.

Dat werkte.

—Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen.

—Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een Romein?

—Drie dan!

—Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier!

—'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd.

—Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen.

Diepe stilte heerschte in de zaal.

—De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer.

De stilte werd benauwend.

—Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf.

—'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala.

Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan. Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes!

—Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus beloond.

—Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt.

Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala.

—Lees, lees! riepen zijne vrienden.

Messala las met luide stem:

Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat, eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een.

Getuigen: ............

Sanballat.

Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in.

—Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs!

Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen.

—Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier.

Weder las Messala met luide stem:

Antiochië, den 16den Tammuz. Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftig talenten, Romeinsch geld. Simonides.

—Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd.

Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte!

Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen naam.

Met dat woord beheerschte hij weder den toestand.

—Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet waar?

—Ja, antwoordde de ander bedaard.

—Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen.

—Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde Sanballat.

—Schrijf dan vijf in plaats van twintig.

—Kunt gij daarover beschikken?

—Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven.

—Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven.

—Het zij zoo.

Daarop verwisselden zij van tafeltjes.

Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had.

—Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit.

Algemeene verbazing.

—Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden, dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat niemand hem aandurfde? Dat is te erg.

—Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de weddenschap aanneem.

Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard: Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is, zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen!

Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten besluite deden hooren.

Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan dien nacht.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings