EEN BLIJDE TIJDING.
Reading edition
Zoodra den volgenden morgen de Schaapspoort geopend werd, ging Amrah met haar mand aan den arm de stad uit. De wachters deden haar geen vragen, daar zij even regelmatig verscheen als de opgaande zon. Men wist dat zij de trouwe dienstmaagd was van den een of ander, en daarmede stelde men zich tevreden.
Zij sloeg den weg in naar de vallei ten oosten der stad gelegen. De donkergroene helling van den Olijfberg was bezaaid met witte tenten, de tijdelijke woningen van de feestgangers. 't Was echter nog te vroeg voor de vreemdelingen om buiten te zijn: alles sliep nog gerust. Eerst kwam zij aan Gethsemané, toen langs de graven bij den kruisweg naar Bethanië, vervolgens aan het dorp Siloam. Zij scheen ongewone haast te hebben, maar haar ijver was grooter dan hare krachten, die haar bijwijlen schenen te begeven.
Hoe vroeg het nog was, toch zat haar ongelukkige meesteres reeds buiten voor de grot. Tirza sliep nog. Vreeselijk was de vordering, die de ziekte in die drie jaren gemaakt had. Wetende hoe zij er uitzag, bleef zij altijd zorgvuldig gesluierd. Zelfs Tirza mocht haar bijna nooit aanschouwen. Thans echter, in de eerste morgenschemering, had zij het hoofd ontbloot, om de frissche lucht in te ademen, want zij wist, dat geen sterveling haar zien kon. Sneeuwwit was het lange haar. Oogleden, neus, lippen, wangen waren weggeteerd, de hals was akelig ontstoken. Eene van hare handen rustte op haren schoot. De nagels waren afgevallen, de vingers gedeeltelijk ontvleesd, gedeeltelijk dik opgezwollen. Zoo was zij over het geheele lichaam. Geen wonder, dat de vroeger zoo statige vrouw zich gemakkelijk aan alle nasporingen van haren zoon had kunnen onttrekken. Zij was gewoon, dat Amrah bij de bron verscheen vóór alle anderen, om dan op een steen halfweg bron en heuvel, het voedsel en de waterkruik neer te zetten.
Dit korte bezoek was nog de eenige lichtstraal op haar pad. Dan vraagde zij naar haren zoon, en Amrah vertelde haar wat zij wist van zijn werk en bezigheden, en van de vluchtige bezoeken, die hij aan zijn vaders huis bracht. Op zulke dagen zat de arme moeder den ganschen dag onbewegelijk voor hare spelonk, met de oogen gericht op het dak van den Tempel, waarachter haar huis lag, het geliefde huis, waarin haar zoon nu vertoefde. Niets bond haar meer aan het leven. Tirza was reeds zoo goed als dood, en zijzelve smachtte naar het einde. De natuur rondom haar was niet geschikt om haar op te beuren; insecten en vogels vermeden de streek, alsof zij ook bang waren voor besmetting. Van plantengroei was niet veel te bemerken; de weinige struiken, ja zelfs de dunne grassprietjes, verdorden onder den adem der winden, die langs de berghelling streken. Waarheen zij den blik ook wendde zag zij grafsteden en nogmaals grafsteden, die te meer de aandacht trokken, omdat zij alle opnieuw gewit waren, ten einde de van buiten gekomen feestgangers te waarschuwen.
Terwijl zij zoo in de morgenschemering zat te peinzen, zag zij plotseling een vrouw den heuvel beklimmen. Weldra herkende zij Amrah. In plaats van hare mand zooals gewoonlijk neer te zetten, kwam zij regelrecht op de spelonk af. De weduwe verrees van hare zitplaats en deed de gewone waarschuwing hooren, maar Amrah stoorde er zich niet aan, en eer zij er op bedacht was lag Amrah aan de voeten van hare meesteres en kuste onder hartstochtelijke snikken den zoom van haar kleed. Tevergeefs beproefde de melaatsche zich van haar los te maken, en toen zij zag, dat het onmogelijk was, riep zij op smartelijken toon: Hoe kunt ge zoo doen? Is dit de manier, waarop gij ons uwe liefde bewijst? Nu zijt gij ook verloren, en moogt nooit meer naar huis teruggaan. Wie zal ons nu voortaan eten brengen? O Amrah! Nu zijn wij allen te zamen verloren!
—Wees toch niet boos op mij, snikte de trouwe ziel, het hoofd nog dieper buigende.
—Ach, Amrah, vervolgde de weduwe, was de vloek die op ons rust, niet reeds zwaar genoeg om te dragen, dat gij ons het eenige, dat wij nog hadden, moet ontnemen? vraagde zij.
Op dit oogenblik verscheen Tirza, door het luide spreken gewekt, in de opening der spelonk.
—Wat is er moeder? Is dat Amrah? vraagde zij. De arme was nagenoeg blind.
Nu stond Amrah op en zeide met onvaste stem: O lieve meesteres! Ik heb niets misdaan. Ik breng u goede tijding!
—Van Juda?
—Ja. Hij kent een man, die de macht heeft u te genezen. Hij spreekt slechts één woord, en de zieken worden gezond, zelfs de dooden worden levend. Ik kom u halen om u bij hem te brengen.
—Arme Amrah! zeide Tirza meewarig.
—Neen, neen, riep Amrah, die zeer goed begreep wat die uitroep bedoelde, zoo waar de God van Israël leeft, ik spreek de waarheid. Kom maar mee; wij hebben geen tijd te verliezen. Hij komt hier langs op zijn weg naar de stad. Eet gauw wat en laat ons gaan.
De moeder luisterde aandachtig. Misschien had zij reeds iets aangaande hem gehoord, want zijne wonderdaden waren door het geheele land bekend geworden. Wie is hij? vraagde zij. En hoe weet gij het?
—Juda vertelde het gisterenavond.
—Is Juda dan thuis?
—Ja.
—Heeft hij gezegd, dat gij het ons moest komen vertellen?
—Neen; hij denkt dat gij dood zijt.
—In vroeger jaren heeft een profeet eens een melaatsche genezen, zeide de moeder tot Tirza, maar die was door God gezonden. Zeg mij, Amrah, hoe weet Juda dat deze man die macht bezit?
—Hij volgde hem op zijne reizen en hoorde de melaatschen tot hem roepen, en zag ze hersteld weggaan. Den eersten keer was het één melaatsche, later tien te gelijk, en zij werden allen hersteld.
De moeder aarzelde niet langer. Zij vroeg niet naar het hoe en wat, zij geloofde de feiten en zeide tot Tirza: Kind, dat moet de Messias zijn. Ik herinner mij, dat Jeruzalem jaren geleden in opschudding kwam, omdat er gezegd werd, dat hij geboren was. Hoe lang het geleden is weet ik niet meer, maar hij zou nu reeds volwassen moeten zijn. Ja, het kan niet anders ... hij is het. Laat ons wat eten, en dan zoo spoedig mogelijk met Amrah meegaan.
Het ontbijt was weldra afgeloopen, en het drietal begaf zich op weg. Nu stuitten zij echter op een moeilijkheid. Amrah had gezegd, dat de Nazarener van Bethanië moest komen, maar vandaar leidden drie wegen naar Jeruzalem. Een over den Olijfberg, een tweede langs zijn voet, en de derde langs den Berg der Ergernis. Deze drie waren nu wel niet ver van elkander verwijderd, maar toch ver genoeg om den Nazarener mis te loopen, indien zij niet denzelfden weg kozen, welken hij nam.
Na een korte beraadslaging besloten zij eerst naar Bethfagé te gaan, om zich verder door de omstandigheden te laten leiden.
Zij daalden dus den berg af in de richting van den Koningstuin en bleven even staan om te rusten.
—Ik durf dezen weg niet vervolgen, zeide de moeder. Het zal hier druk worden. Wij doen beter met de menschen te ontwijken en over den Berg der Ergernis te gaan.
Toen Tirza dit hoorde ontzonk haar de moed. Daar hare voeten zeer gezwollen waren kostte het loopen haar groote moeite.
—Die berg is steil, moeder. Ik kan onmogelijk klimmen.
—'t Is om ons leven en onze gezondheid te doen mijn kind. Zie, daar komen reeds vrouwen om water te scheppen. Zij zullen ons steenigen, als wij hier blijven. Kom, wees sterk, mijn kind.
Zoo trachtte de moeder, die zelve bijna niet voort kon, hare dochter te bemoedigen, en nu kwam Amrah haar te hulp. Na de eerste opwelling had zij de zieken niet aangeraakt, thans echter ging de trouwe ziel naar Tirza en zeide: Leun op mij. Ik ben wel oud, maar sterk genoeg, en het is niet ver meer. Zoo; ziet gij wel, nu gaat het al veel beter.
De weg was moeilijk, maar toen zij eenmaal boven waren en staan bleven om adem te scheppen hadden zij een heerlijk gezicht op den Tempel met zijne terrassen, en op Sion met zijne vele witte torens, die in het zonlicht schitterden.
—O hoe mooi! riep de weduwe. Zie toch, Tirza, zie eens naar het gouden beslag van de Schoone Poort! Wat glinstert dat in de zon! Weet gij nog wel, hoe dikwijls wij er onder door zijn gegaan? Zal het niet heerlijk zijn dat weder te kunnen doen? En ons huis is er niet ver vandaan! Daar wacht Juda ons!
Nu begonnen zij den berg aan de andere zijde af te dalen. Hoewel Amrah al hare krachten inspande, om Tirza te ondersteunen, kermde de arme toch bij elken stap, ja meermalen moest zij luide aan hare smarten lucht geven. Aan den voet des bergs gekomen zeeg zij uitgeput neder.
—Ga maar alleen verder met Amrah, moeder, ik kan niet meer.
—Neen, kind. Wat zou het mij baten, zoo ik alleen gezond werd, en gij niet? En wat zou ik Juda moeten antwoorden, als hij naar u vraagt?
—Zeg hem, dat ik hem liefgehad heb.
De arme moeder wist niet wat te doen. Zij dacht er niet aan haar kind te verlaten, maar de hoop op redding te moeten laten varen, nu die zoo nabij scheen, deed den beker overloopen. Maar zie, in dat oogenblik van grooten nood zag zij van den tegenovergestelden kant een wandelaar aankomen.
—Moed gevat, Tirza! zeide zij. Daar komt iemand aan, die ons zeggen kan waar de Nazarener op 't oogenblik is.
Amrah richtte Tirza een weinig op, en zoo wachtten zij den vreemdeling af.
—Ach, moeder, gij vergeet wat wij zijn. De man zal zich uit de voeten maken, en ons misschien eerst nog een steen naar het hoofd werpen.
—Wij zullen zien, luidde het antwoord.
Ja, de moeder wist zelve maar al te goed welke behandeling uitgeworpenen als zij te wachten hadden.
De melaatschen stonden aan den rand van een smallen weg, zoodat de wandelaar haar rakelings voorbij moest gaan. Zoodra hij binnen het bereik harer stem was deed de weduwe het waarschuwende: Onrein! Onrein! hooren. Tot hare verbazing liep hij door.
Wat zoekt gij? vraagde hij, toen hij vlak bij haar was.
—Wees voorzichtig, zeide de weduwe met waardigheid. Ik heb u gewaarschuwd.
Vrouw, ik ben een volgeling van hem, die slechts één woord behoeft te spreken tot dezulken als gij, en zij zijn genezen. Ik ben niet bevreesd.
—Gij bedoelt den Rabbi uit Nazareth?
—Den beloofden Messias.
—Is het waar, dat hij vandaag naar de stad gaat?
—Ja. Hij is nu te Bethfagé.
—Langs welken weg zal hij komen?
—Langs dezen.
De weduwe vouwde de handen en sloeg de oogen dankend naar den hemel op.
—Voor wien houdt gij hem? vraagde de man bewogen.
—Voor den Zoon van God! antwoordde zij.
—Blijf dan niet hier, want daar een groote schare hem volgt, staat gij beter bij dat rotsblok onder gindschen boom. Roep hem aan zoodra hij nadert, roept beiden en weest niet bevreesd. Hij zal u hooren. Ik ga naar de stad, om het volk te waarschuwen dat hij komt. Vrede zij met u en de uwen!
Hebt gij het gehoord, Tirza? De Nazarener komt langs dezen weg, en hij zal ons helpen. Kom nu mee, een paar stappen maar!
Dus aangemoedigd liet Tirza zich door Amrah overeind helpen.
—Wacht even; zeide Amrah, de vreemdeling komt terug.
—Ik bedenk, goede vrouw, zeide hij, dat de zon hoog aan den hemel zal staan, voordat de Nazarener komt. Ik kan in de stad het noodige krijgen, en daarom wilde ik u mijn waterflesch geven. Gij zult er meer behoefte aan hebben dan ik. Neem haar en heb goeden moed. Roep luide tot hem.
Dit zeggende bood hij de weduwe zijn gevulde waterflesch aan. In plaats van ze op den grond te leggen, gaf hij ze haar in de hand.
—Zijt gij een Jood? vraagde zij verbaasd.
—Ja; maar beter nog; ik ben een volgeling van den Christus, die ons dagelijks door woorden en voorbeeld leert wat ik nu doe. De wereld kende reeds lang het woord liefde, zonder het echter te verstaan. Vaarwel!
Langzaam begaven de vrouwen zich naar het door hem aangewezen punt, waar zij door ieder, die voorbijging, gezien en gehoord konden worden. Zij zetten zich onder den boom neder, en dronken van het water. Weldra viel Tirza in slaap, en om haar niet te storen zwegen de beide anderen.