← Table of contents
Ben-Hur

DE BLINDDOEK AFGEVALLEN.

Reading edition

Ben-Hur verliet de zaal vrij wat minder opgewekt, dan hij haar binnengetreden was; zijn stap was langzamer, hij liet het hoofd hangen. De ontdekking dat iemand, al heeft hij ook al zijne ledematen gebroken, toch nog gezond van hersenen kan zijn, gaf hem veel te denken.

Dat hij de Egyptische zelf niet verdacht had van in Messala's belang werkzaam te zijn, maar zich blindelings had overgegeven aan de betoovering, die van haar uitging, wondde zijne ijdelheid.

—Nu herinner ik mij, dacht hij, dat zij in het minst niet verontwaardigd was over de handelwijze van den onbeschaamden Romein bij de bron van Castalia. Ik herinner mij ook, dat zij van den beginne met ingenomenheid over hem sprak. En ... aha!... nu behoef ik niet langer te vragen, aan wie ik dat geval in het paleis Idernee te danken had.

—God zij gedankt! riep hij na een oogenblik nadenkens overluid, dat die vrouw mijn hart niet omstrikt had! Ik zie nu in dat het geen liefde was, die ik voor haar gevoelde.

Alsof hem een pak van het hart gevallen was, begaf hij zich verruimd van zin naar het platte dak. Boven gekomen bleef hij stilstaan. Kon Balthasar haar medeplichtige zijn? Neen, neen. Een eerwaardig grijsaard als hij kan niet huichelen. Balthasar is een goed man.

Gerustgesteld ging hij verder. De volle maan stond hoog aan den hemel, maar verbleekte door den gloed der vuren, die in de straten en op de pleinen ontstoken waren. Van alle zijden weerklonk het gezang van psalmen en lofzangen. Onwillekeurig bleef hij staan luisteren. De tallooze stemmen schenen hem toe te roepen: Aldus, zoon van Juda, getuigen wij van onze trouw aan den Heer onzen God, en onze liefde tot het land, dat Hij ons gegeven heeft. O, dat een Gideon mocht optreden, of een David, of een Makkabeër!—Wij zijn gereed.

In den geest zag hij den Nazarener, wiens vriendelijk gelaat allerminst aan oorlog deed denken, veeleer aan vrede en liefde, en zoo drong de oude vraag zich weder aan hem op: Wie is hij toch?

Ben-Hur wierp een blik over de borstwering, keerde zich toen om en wandelde toen werktuiglijk naar het zomerhuisje. Laat hen het ergste doen wat zij kunnen, zeide hij langzaam voortgaande. Ik kan den Romein geen vergiffenis schenken. Ik wil mijn fortuin niet met hem deelen, maar evenmin wil ik de stad mijner vaderen ontvluchten. Liever roep ik de Galileërs te hulp en laat ik het zwaard voor mij beslissen. Door dappere daden zal ik de stammen voor mij winnen. Hij, die Mozes verwekte, zal ook ons een aanvoerder toezenden, als ik niet slaag. Blijkt het, dat de Nazarener niet de aangewezen persoon is, dan een ander uit de velen, die hun leven willen laten voor de vrijheid.

Het zomerhuisje was van binnen slechts flauw verlicht, toen Ben-Hur binnentrad. Hij zag den armstoel van Simonides in den hoek geschoven, vanwaar men het beste uitzicht had over de markt.

—De goede man is teruggekeerd, dacht hij. Als hij niet slaapt, zal ik hem even toespreken.

Hij naderde den stoel met zachten tred. Over de hooge rugleuning glurende zag hij, dat Esther in den stoel zat te slapen, half verborgen onder de deken. Hare ademhaling was zacht en regelmatig. Op eens slaakte zij een diepen zucht. Was het de zucht, of de eenzaamheid, waarin hij haar aantrof,—genoeg, hij kreeg den indruk dat deze slaap meer een gevolg was van uitputting na droefheid, dan van vermoeidheid. Met de handen op de rugleuning rustend, dacht hij een oogenblik na.

—Ik zal haar niet wekken. Ik heb haar niets te zeggen, niets, of het moest zijn, dat ik haar liefheb. Zij is eene dochter uit den stam van Juda, schoon en lieftallig, geheel verschillend van de Egyptische. Bij die is alles ijdelheid, bij haar alles waarheid, daar eerzucht, hier plicht, daar zelfzucht, hier zelfverloochening.... Neen, de vraag is niet of ik haar liefheb, maar of zij mij liefheeft! Zij was mij van den beginne genegen. Ik ben dien avond op het terras te Antiochië nog niet vergeten, toen zij mij zoo kinderlijk smeekte Rome niet tot mijn vijandin te maken. Ik heb haar lief. Niemand weet, dat ik moeder en Tirza teruggevonden heb. Hoe zal zij zich met mij verheugen, haar van harte verwelkomen. Voor moeder zal zij eene tweede dochter wezen, in Tirza vindt zij eene zuster. Ik zou haar kunnen wekken en dit alles vertellen, maar eerst moet de Egyptische toovenares weg, en alles vergeten zijn. Ik zal heengaan en een ander, een beter oogenblik afwachten. Ik zal wachten. Slaap zacht, schoone Esther! trouw kind, dochter van Juda!

Hij ging heen, even stil als hij gekomen was.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings