← Table of contents
Ben-Hur

DE HERAUT EN ZIJN KONING.

Reading edition

Op den derden dag van de reis nam het gezelschap tegen den middag een weinig rust bij de beek Jabbok. Zij troffen daar ruim honderd mannen aan, grootendeels uit Perea, die hier met hetzelfde doel als zij vertoefden. Nauwelijks waren zij afgestapt, of een man trad op hen toe met een kruik water en bood hun een frisschen dronk aan, van welk aanbod zij gaarne gebruik maakten. De man bekeek intusschen den kameel en zeide: Wat een prachtig dier! Ik kom juist van den Jordaan, waar het dezer dagen druk bezocht is door reizigers van nabij en van verre, maar geen van hunne kameelen kan in de schaduw staan van dezen. Mag ik vragen van welk ras hij is?

Balthasar bevredigde zijne nieuwsgierigheid en ging toen wat rusten, maar Ben-Hur vraagde: Waar is het zoo druk?

—Te Bethabara.

—Daar placht het vroeger heel eenzaam te zijn, zeide Ben-Hur, hoe komt het daar nu zoo vol?

—O, ik zie het al, zeide de vreemdeling, gij komt ook van buitenaf en hebt het goede nieuws nog niet gehoord.

—Welk goed nieuws?

—Er is een man uit de woestijn gekomen, een heilig man, die een nieuwe leer predikt. Hij noemt zich Johannes, den zoon van Zacharia, en hij zegt, dat hij de voorlooper is van den Messias. Men verhaalt van hem, dat hij van jongsaf gewoond heeft in een spelonk bij Engedi, en zijn tijd doorbracht met bidden en vasten. Geheele scharen gaan uit om hem te hooren. Ik ben er ook geweest.

—En deze mannen? Komen die er ook vandaan?

—Verscheidene, maar de meesten moeten nog gaan.

—Wat predikt hij?

—Een nieuwe leer, zooals nog nooit in Israël verkondigd werd, zegt men. Hij spreekt over bekeering en over den doop. De rabbi's weten niet wat zij van hem denken moeten. Sommigen vraagden hem of hij de Christus is, of Elia, maar hij antwoordt allen, die hem zulke vragen doen: Ik ben de stem des roependen in de woestijn, maakt den weg des Heeren recht!

Op dit oogenblik werd hij weggeroepen. Kort daarna maakten Balthasar en Ben-Hur zich weder op, zoodat zij den volgenden dag het doel hunner reis bereikten.

Een levendig tafereel trof hun oog. Een menigte tenten was langs de rivier opgeslagen, terwijl de beide oevers zwart van menschen waren. Toen ons gezelschap aankwam ontstond er beweging onder de schare, waaruit zij opmaakten, dat de spreker zijn rede geëindigd had.

—'t Beste wat wij kunnen doen is, dat wij hier blijven staan, zeide Ben-Hur, misschien komt de Nazireër dezen weg langs.

Het volk was te zeer vervuld van het gehoorde om acht te slaan op de nieuw aangekomenen. Deze bleven waar zij waren en zagen gansche gezelschappen langs zich heen trekken. Reeds vreesden zij, dat zij den Nazireër heden niet meer te zien zouden krijgen, toen zij een man zagen naderen, wiens uiterlijk zoo zonderling was, dat zij voor niets anders meer oogen hadden. Lange zwarte lokken omgaven zijn vermagerd, ernstig gelaat, waarin een paar groote fonkelende oogen terstond de aandacht trokken. Hij was gekleed in een kemelharen kleed, met een leeren gordel om de lendenen. In zijne hand hield hij een staf, hoewel hij geen steun behoefde, want zijn gang teekende kracht en vastberadenheid. Vorschend zag hij rond, alsof hij iemand zocht.

De schoone Egyptische zag den zoon der woestijn verbaasd, ja met onwil aan. Zij wenkte Ben-Hur tot zich en vraagde spotachtig: Is dat de heraut van uwen koning?

—Dat is de Nazireër, antwoordde hij, zonder haar aan te zien.

Om de waarheid te zeggen—hijzelf was meer dan teleurgesteld. Hoewel hij dikwijls gehoord had van de asceten, die in Engedi woonden, hunne kleeding, hunne onverschilligheid voor wereldsche gemakken, hunne afgezonderde levenswijze, hunne boetedoeningen kende, en hoewel hij geweten had dat hij een Nazireër zou zien, die zichzelven aankondigde als: eene stem des roependen in de woestijn, had hij toch gehoopt, dat de heraut van den grooten koning eenig uiterlijk kenteeken van macht en aanzien zou vertoonen. Dezen woestijnbewoner met de oogen volgende dacht hij aan de hovelingen in het keizerlijke paleis te Rome, en de vergelijking deed hem beschaamd, verward en verlegen antwoorden: Het is de Nazireër.

Met Balthasar was het geheel anders. Hij wist dat Gods wegen niet zijn als der menschen wegen. Hij had den Verlosser als een kind in de kribbe zien liggen en was dus voorbereid op grooten eenvoud bij het optreden van den godsgezant. Hij verwachtte geen koning. Met gevouwen handen bleef hij zitten en zacht bewogen zich zijne lippen als in een gebed.

Op dit oogenblik naderde iemand van de andere zijde, den Nazireër te gemoet. Nauwelijks had deze hem in het oog gekregen, of hij bleef staan en hief zijn staf op, ten einde de aandacht des volks tot zich te trekken. Groote stilte heerschte op eenmaal onder de bewegelijke schare, en toen de Dooper zag, dat hij zijn doel bereikt had, wees hij met zijn staf op den persoon, die langzaam nader kwam. Ook Ben-Hur en Balthasar volgden de aanwijzing en zagen een rijzig slank gebouwd man, met een gelaat, dat men niet licht vergeten zou. Het lange bruingouden haar was in het midden gescheiden. De groote donkerblauwe oogen straalden met liefelijken glans onder het open voorhoofd, en de uitdrukking van zijn geheele wezen was rustig en edel. Hij droeg een lang wit linnen gewaad met wijde mouwen, en een talith, het daarbij behoorende wit linnen overkleed, onderaan met blauw afgezet. De door de wet aan de rabbijnen voorgeschreven wit en blauwe kwasten versierden zijn kleed. Zijne sandalen waren van de eenvoudigste soort.

Daar riep de Dooper met luide stem: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt!

De indruk, dien deze woorden maakten, was zeer groot, voor Balthasar overweldigend. Het werd hem vergund den Verlosser der menschheid nogmaals te zien. Daar stond Hij, naar wien hij zoo lang smachtend had uitgezien, het ideaal zijner droomen, volmaakt in gestalte, gelaat, houding. Nogmaals riep de Dooper: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt! Deze is het van welken ik gezegd heb: na mij komt een man, die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik gekomen, doopende met water. Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk eene duif, en hij bleef op hem. En ik kende hem niet; maar die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is het, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd, dat deze de Zoon van God is.

—Dat is hij, dat is hij! riep Balthasar, sloeg de oogen naar boven, en viel door aandoening overmand achterover in zijnen zetel.

Met geheel andere gewaarwordingen beschouwde Ben-Hur den vreemdeling. Hij was niet ongevoelig voor de reinheid, den ootmoed, de heiligheid, die zijn gelaat uitdrukte: Wie is hij? En wat is hij? Messias of koning?—Vorstelijk was zijn voorkomen niet. Op dat kalm, vriendelijk gelaat ziende was de gedachte aan oorlog en heerschzucht hem eene ontwijding. Hij voelde dat Balthasar gelijk had, en Simonides ongelijk. Neen, zeide hij tot zichzelven, deze man is niet gekomen om den troon van Salomo weder op te bouwen. Hij heeft noch den aard, noch de gaven van Herodes. Een koning moge hij wezen, maar niet van een rijk, grooter en machtiger dan Rome.

Het gelaat van dien man kwam hem niet onbekend voor ... waar had hij het meer gezien? Hij peinsde en peinsde, en ja, daar zag hij in den geest op eenmaal in het verre verleden het tooneel bij de bron te Nazareth weer. Hij zag zichzelven, neergezonken op den stoffigen weg; hij zag de jonkman met de gevulde waterkruik tot zich komen om hem te laten drinken; hij zag weder die oogen vol liefde en mededoogen op zich gevestigd. Wat de Dooper zeide ging voor hem verloren, alleen de laatste woorden drongen tot hem door: Deze is de Zoon van God!

Ben-Hur sprong van zijn paard om aan de voeten van zijnen weldoener neer te knielen, maar Iras riep hem tot zich: Zoon van Hur, kom hier en help mij! Mijn vader sterft!

Hij bleef staan, keek om, en snelde naar haar toe. Zij gaf hem een beker en hij liep naar de rivier om water te halen. Toen hij terugkwam was de vreemdeling verdwenen.

Zoodra Balthasar bijgekomen was vraagde hij: Waar is hij?

—Wie? vraagde Iras.

—Hij, de Zoon van God, dien ik daareven zag!

—Gelooft gij dat ook? vraagde Iras zacht aan Ben-Hur.

—Het is een tijd van wonderen. Laat ons wachten, luidde zijn antwoord.

Den volgenden dag was op die plaats weer een groote schare bijeen. Ook onze vrienden waren aanwezig.

Midden in zijne rede brak de Dooper af en riep met luide stem: Zie het Lam Gods!

De aanwijzing van den Dooper volgende zagen zij weder den vreemdeling. Toen Ben-Hur zijn heilig gelaat, zoo vol majesteit en mededoogen, aanschouwde, viel hem eensklaps iets in. Ja, dacht hij, Balthasar heeft gelijk, maar Simonides ook. Kan de Messias niet te gelijkertijd koning zijn?

Hij wendde zich tot iemand die naast hem stond en vraagde: Wie is dat?

Met een spottend lachje antwoordde de man: Dat is de zoon van een timmerman uit Nazareth.

BOEK VIII.

EERSTE HOOFDSTUK.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings